1.2.Verweerder heeft geweigerd een deel van document nr. 2, en de documenten 5-10, 12, 13 en 15-27 openbaar te maken omdat het belang van verstrekken hiervan volgens hem niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met de Europese Commissie. Hij verwijst hierbij onder meer naar de aard en inhoud van de gevraagde stukken en naar de brief van de ministers van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 10 april 2015 (Kamerstukken 2014/15, 34 023, nr. 9). Verweerder heeft geweigerd een deel van document nr. 2, en de documenten 6-10, 12, 13 en 15-27 openbaar te maken omdat het belang van verstrekken hiervan volgens hem niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De documenten bevatten immers de namen van ambtenaren. Verweerder heeft geweigerd document nr. 1, een deel van document nr. 2, 3, 5, 10, 11, 13, 14 en 19 openbaar te maken omdat deze persoonlijke beleidsopvattingen bevatten.
3. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de betrekkingen van Nederland met de EC in het geding zijn. Zij stelt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de EC de gevraagde stukken niet openbaar wil maken. De enkele verwijzing naar de brief van de ministers van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken van 10 april 2015 is onvoldoende. In het kader van het beroep van verweerder op de persoonlijke levenssfeer, voert eiseres aan dat een beroep daarop in beginsel niet mogelijk is wanneer het gaat om informatie over het beroepsmatig handelen van ambtenaren. Verweerder heeft ten onrechte niet de mogelijkheid onderzocht om de stukken geanonimiseerd te verstrekken. Ten slotte betoogt eiseres met betrekking tot het beroep verweerder op persoonlijke beleidsopvattingen dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom openbaarmaking van geanonimiseerde, samengevatte of tot feiten beperkte versie niet mogelijk was.
4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.
Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Wob blijkt het vertrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van:
a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties.
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
5. De rechtbank overweegt als volgt.