ECLI:NL:RBDHA:2017:5124
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op toeslagen ondanks intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Eiser had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van 24 juli 2009 tot 24 juli 2014 en vroeg op 24 juni 2014 asiel aan voor onbepaalde tijd. De IND trok op 15 januari 2016 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 19 juli 2012 in vanwege een beleidswijziging voor asielzoekers uit Libië, maar kende per 8 juni 2015 een regulier verblijfsrecht toe.
Verweerder had voor de periode van 22 juli 2012 tot 8 juni 2015 geen toeslagen toegekend aan eiser. De rechtbank oordeelt dat het rechtmatig verblijf van eiser niet is komen te vervallen voor de periode 24 juni 2014 tot 8 juni 2015, omdat de intrekking uitsluitend het verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet aantast. Hierdoor had eiser recht op toeslagen in die periode.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat ook voor de periode vanaf juli 2009 toeslagen ten onrechte zijn geweigerd, omdat eiser in die periode wel degelijk rechtmatig verblijf had. De rechtbank acht het begrijpelijk dat eiser geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de intrekking met terugwerkende kracht, gezien de gelijktijdige toekenning van een regulier verblijfsrecht.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar, draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten van € 2.228 en het betaalde griffierecht van € 46.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiser recht heeft op toeslagen over de periode 2009-2015 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.