ECLI:NL:RVS:2018:909
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Lubberdink
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over recht op huur- en zorgtoeslag bij terugwerkende intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de weigering om huur- en zorgtoeslag toe te kennen aan [wederpartij] over de periode 1 augustus 2012 tot en met 30 juni 2015 vernietigde. De Belastingdienst had de toeslagen op nihil gesteld en teruggevorderd omdat [wederpartij] in een deel van die periode geen rechtmatig verblijf zou hebben gehad.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht per 19 juli 2012 betekende dat [wederpartij] vanaf die datum geen rechtmatig verblijf had tot 24 juni 2014. Vanaf die datum had hij echter weer rechtmatig verblijf op grond van een andere verblijfsstatus. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de periode van onrechtmatig verblijf van bijna twee jaar niet zodanig lang was dat het recht op toeslagen verloren ging, mede omdat [wederpartij] geen verwijt treft en hij tussentijds rechtsmiddelen had aangewend.
De Afdeling bevestigde dat het recht op toeslagen behouden blijft indien een korte periode van onrechtmatig verblijf volgt op een periode van rechtmatig verblijf, mits de omstandigheden dit rechtvaardigen. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de toeslagen aan [wederpartij] worden toegekend.