ECLI:NL:RBDHA:2017:589
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- M. Diepenhorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak mvv-vereiste en familieleven artikel 8 EVRM
Verzoeker, een Jemenitische nationaliteit dragende meerderjarige, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij zijn Nederlandse vader te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan de vrijstellingscriteria daarvan, met name het ontbreken van beschermenswaardig familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
Verzoeker stelde in bezwaar dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid tussen hem en zijn vader, ondanks dat zij nooit samen hebben gewoond en dat de vader hem financieel ondersteunt. Hij verwees ook naar de situatie in Jemen die het gezinsleven objectief belemmert. De rechtbank overwoog dat volgens recente beleidswijzigingen alleen bij aantoonbare meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid tussen meerderjarige kinderen en ouders het familieleven wordt erkend en dat een individuele belangenafweging volgt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de bijzondere familiegeschiedenis en financiële ondersteuning niet voldoende zijn om meer dan gebruikelijke afhankelijkheid aan te nemen. De toetsing door verweerder was conform het gewijzigde beleid en niet strijdig met de werkinstructie. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de beslissing definitief bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.