Eiseres ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Verweerder trok deze uitkering met terugwerkende kracht in vanaf oktober 2008 en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug, omdat eiseres een gezamenlijke huishouding zou voeren met een ander persoon, [persoon 2]. Eiseres stelde dat sprake was van een commerciële relatie en dat zij mocht vertrouwen op een telefonische toezegging dat de inwoning geen gevolgen zou hebben voor haar uitkering.
De rechtbank onderzocht de feiten en stelde vast dat eiseres en [persoon 2] samenwoonden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling die verder ging dan een zakelijke huurrelatie. De betaling van € 500 per maand werd gezien als een bijdrage aan de huishoudkosten en niet als een reële zakelijke vergoeding. Er was geen schriftelijke huurovereenkomst en de gezamenlijke huishouding werd bevestigd door diverse gezamenlijke activiteiten en zorg.
De rechtbank oordeelde dat eiseres haar inlichtingenverplichting had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden. De telefonische toezegging was niet ondubbelzinnig en mocht niet leiden tot een gerechtvaardigde verwachting. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.