ECLI:NL:CRVB:2016:731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf april 2005 tot februari 2011 een nabestaandenuitkering en daarna een AOW-pensioen. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkeringen, waarbij huisbezoek en getuigenverklaringen werden ingezet.
De Svb trok de nabestaandenuitkering met ingang van mei 2008 in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met G. en vorderde teveel betaalde uitkeringen terug. Tevens herzag de Svb het AOW-pensioen vanaf januari 2012 naar een samenwonende situatie met toeslag. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf april 2008, gebaseerd op objectieve criteria zoals feitelijk hoofdverblijf, financiële verstrengeling en zorg voor elkaar. Het huisbezoek vond plaats met informed consent. De herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf januari 2012 was terecht, omdat de Svb pas toen de gezamenlijke huishouding constateerde.
Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering en de herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding vanaf april 2008.