ECLI:NL:RBDHA:2017:6092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2017
Publicatiedatum
7 juni 2017
Zaaknummer
NL17.1885
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nam het verzoek niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser eerder in Italië illegaal was binnengekomen en een asielverzoek had ingediend in Duitsland, dat de aanvraag had afgewezen vanwege vertrek met onbekende bestemming en het niet verschijnen bij een gehoor.

Nederland heeft op 2 april 2017 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit op 4 april 2017 aanvaardde. De rechtbank oordeelde dat de overdracht aan Duitsland terecht was en dat de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek aan Duitsland toekomt. Eisers argument dat zijn aanvraag in Duitsland geen kans maakt en dat overdracht tot terugkeer naar Marokko zal leiden, werd verworpen omdat de Dublinprocedure alleen de verantwoordelijke lidstaat vaststelt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Sinack op 11 mei 2017 en partijen werden geïnformeerd over het recht op hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Duitsland is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.1885
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.1886, plaatsgevonden op 11 mei 2017. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 11 mei 2017 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum].
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser geregistreerd is op grond van een illegale inreis in Italië op 15 juni 2016 en dat hij een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland op 27 juli 2016. Vanwege de Italiaanse Eurodac treffer is Italië in 2016 door Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). Dit verzoek is door Italië afgewezen. De Duitse autoriteiten hebben op 13 december 2016 de asielaanvraag van betrokkene in Duitsland afgewezen, omdat eiser op 24 augustus 2016 met onbekende bestemming is vertrokken en omdat eiser niet is verschenen bij zijn gehoor. Nederland heeft op 2 april 2017 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Dit verzoek is op 4 april 2017 door Duitsland aanvaard.
3. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en is terecht besloten om eiser aan Duitsland over te dragen.
4. Eisers stelling dat zijn aanvraag in Duitsland geen kans van slagen heeft en overdracht zal betekenen dat hij naar Marokko zal worden teruggestuurd leidt niet tot een ander oordeel. In de Dublinprocedure gaat het slechts om het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat en wordt niet toegekomen aan inhoudelijk beoordelen van het verzoek om internationale bescherming. Temeer nu Duitsland heeft ingestemd met de overdracht van eiser, moet worden aangenomen dat Duitsland het opvolgende verzoek van eiser zal beoordelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het is aan Duitsland om te oordelen over eisers standpunt dat Marokko (voor hem) geen veilig land van herkomst is.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.