ECLI:NL:RBDHA:2017:6204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
9 juni 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 816
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2014 wegens specifieke zorgkosten

Eiser had voor het jaar 2014 een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aangegeven van €10.812, gebaseerd op een inkomen van €21.321 verminderd met €10.509 aan specifieke zorgkosten. Verweerder had aanvankelijk slechts €83 aan specifieke zorgkosten toegelaten, wat leidde tot een aanslag berekend over €21.238. Na bezwaar stelde verweerder het bedrag van aftrekbare specifieke zorgkosten bij tot €1.273, wat resulteerde in een biww van €20.048.

In het geding stelde verweerder later dat ook €2.337 aan vervoerskosten wegens ziekte of invaliditeit aftrekbaar was, waardoor de totale aftrek op €4.545 kwam en de aanslag werd verminderd tot een biww van €16.776. De rechtbank sloot zich hierbij aan en verklaarde het beroep gegrond.

Verder werden diverse posten aan specifieke zorgkosten beoordeeld: uitgaven voor behandelingen aan voeten, rug en benen werden niet toegelaten omdat deze niet onder begeleiding van een arts of paramedicus waren uitgevoerd; afschrijvingen op hulpmiddelen en woningaanpassingen werden afgewezen omdat deze niet aftrekbaar zijn; extra uitgaven voor kleding en beddengoed werden beperkt tot €310 omdat eiser niet aannemelijk maakte dat de kosten hoger waren; en uitgaven voor extra gezinshulp werden niet toegelaten wegens ontbreken van gedagtekende facturen.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser van €990 en het betaalde griffierecht van €46. De uitspraak werd mondeling gedaan op 2 juni 2017 door rechter R.C.H.M. Lips.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €16.776 en de belastingrente dienovereenkomstig aangepast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 17/816
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. J.N. Hoek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 januari 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.
Eiser is verschenen met zijn gemachtigde en bijgestaan door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.776;
  • vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Voor het jaar 2014 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aangegeven van € 10.812, bestaande uit een inkomen uit werk en woning van € 21.321, verminderd met € 10.509 aan specifieke zorgkosten. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de specifieke zorgkosten voor een bedrag van € 83 in aftrek toegelaten. De aanslag is aldus berekend naar een biww van € 21.238 (€ 21.321 -/- € 83).
2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bedrag van de aftrekbare specifieke zorgkosten gesteld op € 1.273 en de aanslag verminderd tot een, berekend naar een biww van € 20.048 (€ 21.321 -/- € 1.273).
3. In geschil is het bedrag aan specifieke zorgkosten dat in mindering komt op het belastbare inkomen uit werk en woning.
4. In de loop van het geding heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 2.337 aan uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit alsnog in aftrek kan worden toegelaten. De aftrek voor specifieke zorgkosten wordt daarmee gesteld op € 4.545, zodat de aanslag moet worden verminderd tot een, berekend naar een biww van € 16.776 (€ 21.321 /- € 4.545). De rechtbank sluit zich hierbij aan. In zoverre is het beroep dus gegrond.
5. Bij de specifieke zorgkosten die nog in geschil zijn gaat het kennelijk voor € 1.710 om uitgaven voor behandelingen aan voeten, rug en benen, voor € 525 om afschrijvingen op hulpmiddelen en een woningaanpassing, voor € 465 om extra uitgaven voor kleding en beddengoed en voor € 1.560 om uitgaven voor extra gezinshulp.
6. De uitgaven voor de behandelingen aan voeten, rug en benen kunnen in beginsel worden aangemerkt als uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. Op grond van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB 2001 zijn deze uitgaven aftrekbaar als de behandelingen worden uitgevoerd door of onder begeleiding van een arts of een paramedicus. Op grond van hetgeen partijen daarvoor over en weer hebben aangevoerd is komen vast te staan dat de persoon die de desbetreffende handelingen bij eiser heeft verricht, geen arts of paramedicus is en dat de behandelingen zouden plaatsvinden onder begeleiding van een arts of paramedicus heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft eiser een verklaring van zijn huisarts in geding gebracht waarin klachten worden genoemd, maar daarin wordt niets verklaard over behandelingen die op voorschrift en onder begeleiding van de huisarts zouden moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze uitgaven daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
7. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn aftrekbaar in het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Op de aanschaffingskosten van hulpmiddelen wordt daarom niet afgeschreven, maar de aanschaffingskosten worden, als aan de andere daarvoor gelden voorwaarden is voldaan, geheel in aftrek gebracht in het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Reeds hierom kunnen de door eiser vermelde afschrijvingen niet in aftrek worden toegelaten. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, aanhef en onder 4°, van de Wet IB 2001 worden aanpassingen aan een woning niet aangemerkt als hulpmiddel en zijn uitgaven daarvoor op die grond niet aftrekbaar als specifieke zorgkosten. Verweerder heeft het bedrag van € 525 voor afschrijvingen op hulpmiddelen en aanpassing van de woning daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
8. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, worden de uitgaven voor extra kleding en beddengoed in aanmerking genomen voor € 310 of, als blijkt dat de uitgaven meer bedragen dan € 620 en aan de andere in dat artikellid gesteld voorwaarden is voldaan, voor € 775. Verweerder heeft een bedrag van € 310 in aftrek toegelaten. Met hetgeen eiser daarvoor heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende uitgaven meer hebben bedragen dan € 620. Verweerder heeft daarom terecht geen hoger bedrag in aftrek toegelaten dan € 310.
9. Op grond van artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijk wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. Eiser heeft in geding geen stukken ingediend die aan deze voorwaarden voldoen. Ook deze uitgaven heeft verweerder daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
10. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser in de bezwaarfase kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.