Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser 2] ,
[eiser 3] ,
[eiser 4] ,
1. De procedure
- het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging;
- de antwoordakte van de zijde van Aegon;
- het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s.
De verdere beoordeling
I Inleiding
Overzicht Woekerpolissen” met productnamen van beleggingsverzekeringen van Aegon. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire vordering dient te worden afgewezen, omdat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde producten niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie.
het aantal beleggende huishoudens’tussen 1997 en 2000 van 600.000 tot ruim 1,9 miljoen.
crashrisico’. De Vereniging verstaat onder het crashrisico het risico dat een of meer (forse) koersdalingen – zeker als die zich aan het eind van de looptijd van de beleggingsverzekering voordoen – tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het genoemde eindkapitaal te kunnen bereiken, ook als gemiddeld wel het genoemde rendementspercentage wordt behaald.
churning’. Nu zij deze algemeen geformuleerde en door Aegon gemotiveerd betwiste stelling in haar akte niet heeft uitgewerkt, wordt zij geacht dit verwijt niet (langer) te maken ten aanzien van de voorbeeldproducten.
totaaloplossing’ is geboden voor alle klachten van verzekeringnemers met een beleggingsverzekering van Aegon, aangezien niet alleen de kosten en overlijdensrisicopremies – voor zover nodig – op een redelijk niveau zijn gebracht, maar ook een oplossing is geboden voor enige bijzondere en specifieke productrisico’s (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico). Nu hiermee reeds is voorzien in een oplossing voor de verwijten die de Vereniging maakt, heeft de Vereniging geen belang bij haar vorderingen, aldus Aegon, die voorts erop wijst dat de grote meerderheid (97% en 98,6%) van de achterban van de stichtingen heeft ingestemd met de Stichtingsakkoorden. Volgens Aegon voorzien de Stichtingsakkoorden daarmee in een breed gedragen, ook door anderen onderschreven oplossing.
united linkedbeleggingsverzekering. Daarbij verbindt de verzekeraar zich ertoe een deel van de premie (de spaarpremie) te beleggen om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel in voor rekening van de verzekeringnemer verworven beleggingseenheden (
units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven
units.
1.Informatieverstrekking bij aanbieding van de voorbeeldproducten
indirecte transparantie als uitgangspunt
de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “
opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.”
- de wijze en duur van betaling van de premies,
- de wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen,
- inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.”
aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (...) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.”
een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend”
Code Rendement en Risico. Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling” (hierna: de CRR). Deze zelfregulering is door het Verbond van Verzekeraars in nauw overleg met de Consumentenbond opgesteld. De CRR geldt voor alle aangesloten leden, waaronder Aegon.
door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.”
het begrip “prognoses” dient te allen tijde te worden vermeden”,gaat uit van het gebruik van op historische rendementen gebaseerde voorbeeldkapitalen. Het moeten netto-voorbeeldkapitalen zijn, waarin de in de bruto-premie begrepen kosten en de overlijdensrisicopremie zijn verdisconteerd.
het rendement (…) waarmee het voorbeeldkapitaal wordt berekend”.
inkomsten uit beleggingen en waardeverschillen bij verkoop van beleggingen alsmede niet gerealiseerde waardeverschillen, na aftrek van de kosten voor het beheer van de beleggingen, uitgedrukt in een gemiddeld percentage per jaar en toe te rekenen aan de reserve c.q. het spaartegoed.”
het rendement dat de deelnemer in de spaarkas op de inleg behaalt.”
“Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.”
Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. (...)
uitkering’ van artikel 2 lid 2 onder Pro b aangescherpt met de verplichting om de verzekerde in kennis te stellen van:
de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.”
de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”.
de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;
indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend”
het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer”
de betekenis van het arrest van het HvJEU van 29 april 2015
De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.” Het HvJEU heeft – samengevat – overwogen dat op een verzekeraar op grond van open normen en/of ongeschreven recht in de precontractuele fase een aanvullende verplichting kan rusten om een consument die overweegt een levensverzekering te sluiten, naast de in Bijlage II bij de richtlijn genoemde gegevens, aanvullende informatie over de betreffende verzekering te verstrekken. Voor het aannemen van deze verplichting dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan, te weten:
open en/of ongeschreven regels’(hierna: het ongeschreven recht), aan deze voorwaarden voldoen.
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”.Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van
“de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW Pro zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen.
bij invoering nog lang niet voldeed’ en wijst zij op kritiek op de CRR en het uitgangspunt van indirecte transparantie. Tijdens de relevante periode geuite kritiek en vragen van Tweede Kamerleden kunnen een indicatie vormen van een breed gedragen maatschappelijke opvatting. Om uit deze kritiek en de vragen een ongeschreven rechtsnorm te kunnen afleiden is echter, mede gezien de door het HvJEU gestelde eisen, vereist dat daaruit een voldoende concrete aanvullende norm valt te destilleren en dat deze aanvullende norm destijds zodanig breed werd onderschreven dat kon worden gesproken van een breed in de maatschappij levende opvatting, die – voorspelbaar voor de verzekeraars – aanvullende eisen stelde aan de informatieverstrekking.
nade voor deze zaak relevante periode. Reeds daarom kan daaraan geen ongeschreven rechtsnorm worden ontleend die relevant is voor deze zaak. Dit geldt voor het feitenonderzoek van de AFM van 9 oktober 2008, waarnaar de Vereniging verwijst en het rapport van de Commissie Transparantie Beleggingsverzekeringen van 20 december 2006, dat zij aanhaalt ter onderbouwing van haar standpunt dat het verzekeringselement van de voorbeeldproducten ‘
een farce’ is.
Koopsommen en premiestortingen een goudmijn: maar voor wie?”. Voorts zijn in de relevante periode vragen over (de informatieverstrekking over) beleggingsverzekeringen gesteld door Tweede Kamerleden. Niet steeds valt echter uit deze kritische noten een aanvullende norm te destilleren. Voor zover dit al het geval is, zijn geen aanvullende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die de conclusie kunnen dragen dat deze kritiek en vragen een voor de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnorm tot uiting brengen, die voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen.
veel van de ingevolge het tweede lid voorgeschreven informatie zal reeds uit de polisvoorwaarden blijken. Voor zover dat niet het geval is, moet de informatie op andere wijze (in de polis of door middel van bijvoorbeeld een brochure) worden verstrekt.”
Spaarkassparen dat gaat zo!”uit 1985. In deze brochure, die Aegon tot mei 1999 heeft gehanteerd en die hierna ook wordt aangeduid als ‘de Spaarkas-brochure’ staat onder het kopje “
Kosten en opbrengsten”:
bijzondere zorgplicht?
‘in feite’ beleggingsproducten zijn, omdat het verzekeringsaspect louter secondair is, ‘
van ondergeschikt belang’ en ‘
alleen maar’ om Aegon in staat te stellen deze te verkopen en vanwege het daarmee samenhangende fiscale voordeel voor de verzekeringnemers. Ook als dat zo zou zijn – wat onbesproken kan blijven – neemt dat niet weg dat de voorbeeldproducten een verzekeringselement hebben, in de vorm van de uitkeringen bij overlijden vóór de einddatum en bij leven op de einddatum, terwijl het aan dit verzekeringsaspect verbonden fiscale voordeel, naar niet in geschil is, voor veel verzekeringnemers een belangrijke reden was om een beleggingsverzekering aan te gaan.
slotsom toetsingskader en uitgangspunten voor de verdere beoordeling
de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie
de verzekeraar een derde kan inschakelen om namens hem aan de in dit artikel[artikel 2 Riav Pro, toevoeging rechtbank]
bedoelde verplichting te voldoen, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verzekeraar.”
‘de verzekeringnemer’
de consument’ te voorzien van de nodige inlichtingen teneinde een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering. Het gaat hier om de consument die, om ten volle te kunnen profiteren van de diversiteit en toegenomen concurrentie van een ééngemaakte verzekeringsmarkt met een grotere en meer gediversifieerde keuze, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Zie de considerans van de Derde Levensrichtlijn (onder 23).
het crashrisico
misleidende grafiek’met een vast gemiddeld rendement bevatten.
desastreus’ uitpakken van het optreden van het crashrisico leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat koersdalingen verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de waarde van de beleggingen en ook op het na afloop van de looptijd van de voorbeeldproducten uit te keren eindkapitaal, voor zover dat niet uit een gegarandeerd bedrag bestond. Dat is echter het reguliere beleggingsrisico.
het fata morgana-effect
verzekeraars’ vóór 1997 bij het maken van de voorbeeldberekeningen geen rekening hielden met de volatiliteit en de berekeningen opstelden aan de hand van een normaal (rekenkundig) gemiddelde. Zij stelt dat zij niet kan vaststellen hoe de door Aegon gebruikte voorbeeldrendementen tot stand zijn gekomen en wijst erop dat Aegon vóór 1997 bij een groot aantal producten ieder jaar opnieuw met dezelfde voorbeeldpercentages rekende, terwijl voorts veelal werd gerekend met afgeronde jaarrendementen (bijvoorbeeld 10%, 12% en 14%), hetgeen erop lijkt te wijzen dat geen rekening werd gehouden met de daadwerkelijke koersontwikkeling van het fonds waarin werd belegd; een historische reeks zal niet snel op een exact afgerond getal uitkomen, aldus de Vereniging, die ter onderbouwing van haar standpunt over het vóór 1997 hanteren van de rekenkundige methode verder verwijst naar de door haar in het geding gebrachte rapporten van Capital Consult.
zeer wel bekend’is grote gevolgen heeft, is in dit verband onvoldoende. Dit verwijt gaat dus niet op.
Waar de schoen wringt”, in de woorden van de Vereniging, is dat de verzekeringnemer, die niet op de hoogte is van de werking van de volatiliteit en de bij de meetkundige berekening gebruikte wiskundige formule niet kent, op geen enkele wijze kenbaar wordt gemaakt dat wordt gerekend met een meetkundig gemiddelde. De gemiddelde consument rekent volgens de Vereniging met het gewone rekenkundig gemiddelde en beziet de voorbeeldkapitalen aldus met een ‘
rekenkundige bril’. Het betoog van de Vereniging komt erop neer dat verzekeringnemers daarbij zelf, en op een rekenkundige manier, de voorbeeldrendementen gingen afzetten tegen de gemiddelde beleggingsrendementen en dan bedrogen uitkwamen, omdat zij de (lagere) meetkundige gemiddelden vergeleken met de rekenkundig benaderde werkelijke gemiddelden.
Let op: dit voorbeeld is berekend op basis van het meetkundig gemiddelde (een wiskundige rekenvariant), waarmee wij rekening hebben gehouden met het negatieve effect van koersschommelingen op de waarde van uw beleggingen. Om het geprognosticeerde kapitaal daadwerkelijk te behalen zal de koers van uw beleggingen gemiddeld met een hoger percentage per jaar, namelijk x% dienen te stijgen. Uw adviseur licht dit graag verder toe.”
rekenkundige bril’ keek naar de meetkundig berekende voorbeeldkapitalen.
kostensoortenomvatte, zoals de Vereniging betoogt. De door de Vereniging gestelde verplichting staat op gespannen voet met de destijds geldende opvattingen die onder meer blijken uit de hiervoor geciteerde passages (zie 2.49 en 2.68). Daaruit volgt dat gedetailleerde informatie niet nodig werd geacht. Het ging om de prijs in de zin van eindprijs, waarbij wel moest worden vermeld dat kosten een factor waren waarvan de uitkomst afhankelijk was. Het niet nodig achten om de kostensoorten te vermelden kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de onder 2.68 aangehaalde opvatting van de wetgever dat de kosten van de assurantietussenpersoon (die ook deel konden uitmaken van de ‘eerste kosten’) niet behoefden te worden genoemd.
“betreft (…) niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten”.De verzekeraar moest vanaf 1 januari 1999 dus informatie geven over de soort en (gekwantificeerde) hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten.
niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten
aan- en verkoopkosten’ en ‘
fondsbeheerkosten’.
kosten voortvloeiende uit de beleggingen der gelden’ (de aan- en verkoopkosten) in de volgende bepalingen uit de algemene voorwaarden die voor VermogensPlan en KoersPlan gelijkluidend zijn:
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’andere kosten zijn dan de vanaf 2000 genoemde aan- en verkoopkosten, omdat dit (alleen) de kosten zijn die het beleggingsfonds zelf maakt, zoals de aankoopkosten die het fonds zelf maakt voor beleggingen die het fonds aankoopt (met de inleg op de participaties).
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’.
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’worden uit de spaarkas voldaan. Het zijn dus kosten die niet uit de bruto-premie van deze voorbeeldproducten worden voldaan, waarover Aegon op grond van de Riav 1998 de verzekeringnemers naar soort en gekwantificeerd moest informeren.
de maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zoals ook duidelijk is welk deel wordt belegd.”De brochure verwijst hier onder meer naar ‘
de kosten die de maatschappij maakt voor het administreren en beheren van de jaarkas’.Hoewel deze kosten in de brochure worden benoemd als onderdeel van de storting, maken deze kosten deel uit van de in de algemene voorwaarden van Koersplan en VermogensPlan omschreven ‘
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’die uit de spaarkas worden voldaan. Dat is verklaarbaar omdat de brochure dateert uit een tijd – vóór de Riav 1998 – waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie enerzijds en kosten die naast de bruto-premie (in het geval van KoersPlan en VermogensPlan uit de spaarkas) in rekening werden gebracht. Los daarvan, geldt dat de Spaarkas-brochure met zoveel woorden de kosten voor “
het administreren en beheren van de spaarkas”noemt. De verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan, die ervan uit konden gaan dat zij informatie verkregen zoals vermeld in deze brochure, konden dus ervan uitgaan dat zij zouden worden geïnformeerd over deze kosten.
kosten voortvloeiend uit de beleggingen’.
welk deel’van de premie werd aangewend voor de daarin genoemde kosten. Dat duidt op een concrete, gekwantificeerde aanduiding van deze kosten.
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ waarin de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopkosten begrepen waren, heeft Aegon (vanaf 1 januari 1999) in strijd gehandeld met de Riav 1998. In de periode 1989 tot en met 1998 week zij af van de Spaarkas-brochure. Dat betekent dat dit verwijt doel treft ten aanzien van het vermelden van de hoogte (in kwantitatieve zin) van de door de Vereniging bedoelde aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de ‘
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’.
afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden 1998-2000 van KoersPlan en VermogensPlan ziet, is de in artikel 2 lid 2 sub k Riav Pro genoemde afkoopwaarde, waarvan tot inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij KoersPlan en VermogensPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven. Na inwerkingtreding van de Riav 1998 is dit vereiste aangescherpt in de zin dat een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven; het geven van een indicatie, dat aanleiding had gegeven tot onduidelijkheid was niet langer voldoende.
kosten verzekeringsmaatschappij’en ‘
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van FundPlan.
kosten verzekeringsmaatschappij’en ‘
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ van FundPlan vallen onder de zogenoemde ‘
eerste kosten’, die Aegon inhoudt op de bruto-premie alvorens het resterende premiebedrag te beleggen. Zoals Aegon ter zitting heeft toegelicht, vallen hieronder de kosten voor polisopmaak, invoer in de administratie, eventuele medische beoordeling en de afsluitprovisie voor de tussenpersoon. Deze kosten worden bij FundPlan niet in één keer direct bij aanvang in rekening gebracht, maar worden uitgesmeerd over de gehele looptijd van de verzekering.
- de in artikel 2 clausuleblad Pro 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;
- de in artikel 1 clausuleblad Pro 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);
- de in artikel 6 clausuleblad Pro 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);
- de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en
afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan ziet, de in artikel 2 lid 2 sub k Riav Pro genoemde afkoopwaarde is, waarvan tot de inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij FundPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven, terwijl na de inwerkingtreding van de Riav 1998 een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven.
de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten”.
‘de gebruikelijke grondslagen’aan de hand waarvan de wiskundige reserve wordt bepaald. Op dit punt heeft Aegon naar de destijds geldende maatstaven onvoldoende informatie verstrekt.
de effecten van kosten en inhoudingen en de wisselwerking met het beleggingsrisico
Belastingvrij uit te keren vermogen’:
(dus na aftrek van alle kosten) aan het eind van de verschillende looptijden in handen krijgt.”
Belastingvrij uit te keren vermogen” niet dat daarin kosten zijn verdisconteerd. Ook elders in deze brochure worden kosten niet genoemd als factor waarvan de uitkering afhankelijk is.
Wat zijn de kosten van VermogensPlan?”onder meer:
Wie kiest voor een AEGON Fund”onder meer:
AEGON: een grote ervaren belegger”is uiteengezet:
2.Niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie in rekening gebracht?
fondsbeheerkosten’ vóór 2000 niet overeengekomen zijn.
aan- en verkoopkosten’ zijn volgens de Vereniging vóór 2000 niet overeengekomen bij KoersPlan en VermogensPlan.
kosten voortvloeiend uit de beleggingen’die gedurende de gehele relevante periode zijn vermeld in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan als ten laste van de spaarkas (aangeduid als jaarkas of beleggingskas) komende kosten. Voor deze, naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten is wilsovereenstemming vereist ten aanzien van zowel de soort als (in kwantitatieve zin) de hoogte van de kosten.
kosten voortvloeiend uit de beleggingen’vóór 2000 waren overeengekomen. Daarin ligt besloten dat de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopovereenkomsten overeengekomen zijn. Dit staat in de weg aan het honoreren van het verwijt van de Vereniging dat de aan- en verkoopkosten bij KoersPlan en VermogensPlan vóór 2000 niet overeengekomen zijn. Wel heeft de Vereniging het gelijk aan haar zijde dat bij gebreke van een kwantitatieve aanduiding van deze kosten gedurende de gehele relevante periode, wilsovereenstemming op dat punt ontbreekt. De hoogte van de in rekening gebrachte aan- en verkoopkosten is daarmee niet overeengekomen, maar is eenzijdig door Aegon bepaald. Hier is sprake van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot KoersPlan en VermogensPlan.
afkoopkosten’ in artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden van KoersPlan en VermogensPlan genoemde afkoopwaarde, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven voldoende informatie heeft verstrekt. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is er geen grond om te oordelen dat sprake is van het door de Vereniging gestelde ontbreken van wilsovereenstemming op dit punt.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die vanaf 2000 wel worden vermeld in de overzichten van FundPlan. Zoals hiervoor is overwogen, maken deze kosten deel uit de eerste kosten, die uit de bruto-premie worden voldaan.
2. Na inhouding van een aan- en verkoopmarge wordt op iedere premievervaldag de spaarpremie in de fondsen gestort”.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die deel uitmaken van de eerste kosten bij het afsluiten van de verzekering. Deze eerste kosten werden in de relevante periode alleen met zoveel woorden genoemd in artikel 6.3 en 7 algemene voorwaarden van Fundplan (alle versies), die zien op opzegging/afkoop en premievrijmaking. Daarin staat dat voor de vaststelling van de afkoopwaarde respectievelijk de premievrije waarde wordt uitgegaan van “
de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten.”In de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan is artikel 6.3 uitgebreid met de bepaling – voor zover hier van belang:
De eerste kosten zijn de kosten die de verzekeraar in verband met het sluiten van de verzekering heeft moeten maken.”
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” deel uitmaakten van de eerste kosten.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ten laste van de bruto-premie kwamen.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, ten laste van de bruto-premie werden gebracht. Dit staat in de weg aan het ten aanzien van die verzekeringnemer kunnen aannemen van wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”.
- de in artikel 2 clausuleblad Pro 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;
- de in artikel 1 clausuleblad Pro 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);
- de in artikel 6 clausuleblad Pro 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);
- de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996).
afkoopkosten’ bestempelde, in artikel 6.3 geregelde afkoopwaarde van FundPlan, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven onvoldoende informatie heeft verstrekt. Nu Aegon niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht op dit punt kan over deze afkoopwaarde ook geen wilsovereenstemming zijn bereikt. Dit verwijt treft dus doel.
contractuele grondslag overlijdensrisicopremie FundPlan?
contractuele grondslag hoogte overlijdensrisicopremie voorbeeldproducten?
slotsom ten aanzien van het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt;
3.In het verkeer brengen van gebrekkige producten?
de praktijk heeft uitgewezen’ dat de voorbeeldproducten gebrekkig zijn en verwijst zij naar de geschiedenis van de AEX, die leert dat forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Daarmee had Aegon rekening moeten houden nu zij vooral producten aanbood met een relatief lange looptijd, aldus de Vereniging, die betoogt dat de voorbeeldproducten niet de veiligheid boden die men als afnemer mocht verwachten en die stelt dat de voorbeeldproducten, die veelal werden aangeboden als vermogensopbouwproduct met een specifiek doel (sparen voor de oude dag, aflossen hypotheek, studie kinderen, etc), waarbij de afnemers op basis van rekenvoorbeelden is voorgehouden dat een mooie uitkering kon worden verwacht, niet hebben gedaan wat werd beloofd.
4.Oneerlijke bedingen?
te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en haar afnemers te verklaren”.Artikel 3:305a BW verzet zich niet tegen het instellen van zo’n vordering in een collectieve actie, terwijl uit de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat een collectieve actie tegemoet kan komen aan een in de praktijk bestaande behoefte ten aanzien van grote groepen lang lopende gelijkvormige overeenkomsten op basis van gelijke voorwaarden, zoals hier aan de orde (zie TK 1992-1993, 22 486, nr 5, p 10.)
verzekeringspremie’is gegeven:
de door de inschrijver betaalde bruto premie voor de overlijdensrisicodekking” [na 1996].
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’begrepen aan- en verkoopkosten van KoersPlan en VermogensPlan en de overlijdensrisicopremies is hiervoor geoordeeld dat sprake is van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot deze voorbeeldproducten, die moet worden ingevuld door bepaling van een redelijk kostenniveau en een redelijke premie. Dit reeds staat in de weg aan het honoreren van de stellingen van de Vereniging over de door haar als oneerlijk bestempelde bedingen.
kosten bemiddelaar’en ‘
kosten verzekeringsmaatschappij’, die deel uitmaken van de eerste kosten, die ten laste van de bruto-premie komen, voordat de spaarpremie wordt belegd.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van FundPlan en dat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van deze, van de eerste kosten deel uitmakende “
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” dus ontbreekt. Deze overeenkomsten vallen dus buiten de reikwijdte van het geschil.
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt;
3. De beslissing
kosten verzekeringsmaatschappij” en de “
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” in rekening te brengen zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond;
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;
a) voor recht te verklaren dat AegonSpaarkas, ten aanzien van de voor 1januari 2000 aangeboden/verkochte producten KoersPlan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.
a) voor recht te verklaren dat Aegonspaarkas tot 1januari 1999 bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdens risico premie niet is overeengekomen met de afnemers;
a. artikel 7 lid 2 AV Pro (tot en met 1995) en/of
van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat de bedingen geen gelding hebben tussen Aegon en [eiser 2] .