ECLI:NL:RBDHA:2017:759
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2011 wegens onvoldoende bewijs lagere tegenprestatie bij verkoop aanmerkelijk belang
Eiseres verkocht in 2011 haar aanmerkelijk belang in V. BV aan haar zoon voor € 1.202.328, waarbij de koopsom geheel schuldig bleef en zij een lening verstrekte met een looptijd van 25 jaar en 3% rente. De bezittingen van V. BV bestonden vrijwel geheel uit een vordering op K. BV, een vennootschap binnen een groep actief in de kledingbranche.
Na het overlijden van de zoon in 2012 kwam de groep in financiële problemen, wat leidde tot het faillissement van K. BV in 2016. Verweerder verhoogde het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang met € 903.768, het verschil tussen de verkoopprijs en de door eiseres gestelde lagere tegenprestatie van € 298.560.
Eiseres stelde dat de tegenprestatie lager moest worden vastgesteld vanwege de familierelatie en de lening zonder zekerheden en lage rente. Zij baseerde dit op artikel 4.22 Wet IB 2001 en een arrest van de Hoge Raad uit 1998. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres haar lagere waardering niet aannemelijk had gemaakt, onder meer omdat zij geen taxatierapport had overlegd en de economische omstandigheden onvoldoende waren als bewijs.
De rechtbank achtte de overeengekomen verkoopprijs zakelijk en verwierp het beroep van eiseres. Het latere faillissement en verslechterde financiële situatie van K. BV na 2011 waren voor de waardering in 2011 niet relevant. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanslag inkomstenbelasting 2011 wordt ongegrond verklaard.