ECLI:NL:RBDHA:2017:8532
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing ongewenstverklaring op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser is op 9 juni 2016 ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Hij verzocht om opheffing van deze verklaring, maar dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de wettelijke vereisten, waaronder een minimale verblijfsduur buiten Nederland van vijf of tien jaar, afhankelijk van de grondslag van de ongewenstverklaring.
Eiser stelde dat de ongewenstverklaring zijn rechten volgens artikel 8 EVRM Pro en het Handvest van de Europese Unie schond en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die opheffing rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat eiser geen bijzondere feiten of omstandigheden aannemelijk had gemaakt die een uitzondering op de termijnvereisten konden rechtvaardigen.
Verder werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar van eiser direct ongegrond was en er geen redelijke twijfel bestond over het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.