Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
K. en H.F) [7] en gesteld dat verweerder opnieuw moet toetsen of hij nog steeds een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
K. en H.F.uiteengezet hoe er met het Unierechtelijke openbare orde-begrip moet worden omgegaan in relatie tot vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen (punt 51). Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden (punt 54). Dit geldt eens temeer indien een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt (punt 55). Stellig relevant is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen (punt 58). Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico (punt 60). Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijke openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het VEU [11] bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord (punt 66). Daarnaast heeft het HvJ overwogen dat een maatregel waarbij het recht op vrij verkeer wordt beperkt slechts gerechtvaardigd kan zijn indien het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd (punt 61).
K. en H.F. voor het Nederlands bestuursrechtelijk stelsel uiteengezet. De Afdeling heeft overwogen dat niet langer kan worden gehandhaafd dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag automatisch tot het oordeel leidt dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. De vreemdeling die verzoekt om opheffing van zijn zwaar inreisverbod dient met hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat hij niet (langer) onder dit criterium valt. Vervolgens ligt het op de weg van verweerder om aan de hand van die in de bestuurlijke fase verzamelde gegevens een individuele beoordeling te maken waarbij de in punt 66 van het arrest
K. en H.F. genoemde omstandigheden kenbaar worden betrokken. Verweerder moet zodanig motiveren waarom hij van mening is dat de vreemdeling nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt dat de bestuursrechter in staat wordt gesteld om een grondige toetsing te verrichten.
Palestina Mission Kingdom of the Netherlandsvan 9 augustus 2016 waarin wordt vermeld dat dit op onwaarheid berust, kan daar volgens verweerder niet aan af doen omdat uit deze brief niet blijkt of werkelijk gedegen onderzoek is gedaan naar eiser verleden en werkzaamheden en hoe en door wie dat is gedaan. Daarom handhaaft verweerder het standpunt dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving vormt.
Palestina Mission Kingdom of the Netherlandsvan 9 augustus 2016, de brief van de aanklager van het ICC [15] van 5 oktober 2012 en het feit dat hij zich vrijelijk kan bewegen in Israël en de Palestijnse gebieden. Verder heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat hij al lange tijd in Europa verblijft, in België een blanco strafregister heeft, gezinsleven heeft opgebouwd en de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Volgens eiser blijkt uit zijn actuele gedrag niet dat hij de fundamentele waarden van de Europese Unie aantast.
K. en H.F.genoemde omstandigheden.
Palestinian Mission Kingdom of the Netherlandsniet de waarde gehecht kan worden die eiser wenst, maar daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet mogen volstaan. Door zich te beperken tot het in herinnering roepen van eisers gedragingen en te stellen dat uit de brief niet blijkt dat er werkelijk gedegen onderzoek is gedaan naar eisers verleden en werkzaamheden, heeft verweerder immers zelf geen onderzoek verricht, zoals bedoeld in punt 54 en 55 van het arrest
K. en H.F.,naar de vraag of de aard en de ernst van deze aan eiser verweten gedragingen en de mate waarin eiser daarbij persoonlijk betrokken is geweest zodanig zijn dat nog steeds moet worden gesproken van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde.
Palestinian Mission Kingdom of the Netherlandsheeft verklaard dat eiser niet bij misdrijven betrokken is geweest en dat de aanklager van het ICC zich in positieve bewoordingen over eiser heeft uitgelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar in zijn motivering betrokken of hieruit kan worden afgeleid dat er aan de zijde van eiser sprake is van een veranderde houding. Eiser is immers in het verleden gedetineerd geweest in Israël terwijl Israël nu instemt met zijn in- en uitreis.
K. en H.F.voortvloeit. Uit punt 66 van dit arrest blijkt immers dat het gaat om de vraag of de vreemdeling een houding aanneemt die zich niet verdraagt met fundamentele waarden, welke houding moet blijken uit zijn gedrag. Afgezien daarvan, heeft verweerder door enkel te verwijzen naar een nader gehoor van 6 januari 1998, een bezwaarschrift van 30 mei 2000 en een hoorzitting van de ambtelijke commissie van 27 januari 2003, geen deugdelijke motivering gegeven van de actualiteit van eisers bedreiging voor de openbare orde op dit punt. Verweerder heeft evenmin kunnen aanwijzen uit welke actuele feiten of omstandigheden wel zou blijken dat eiser nog steeds een houding aanneemt die zich niet verdraagt met de in artikel 2 en Pro 3 van het VEU bedoelde fundamentele waarden. Zoals hiervoor al is overwogen, had het op de weg van verweerder gelegen om een dergelijk onderzoek te verrichten aan de hand van wat eiser in zijn verzoek heeft aangevoerd.
K. en H.F.,zou kunnen worden verstoord.
K. en H.F.-arrest moet in het kader van dit beginsel de dreiging die van de betrokkene uitgaat worden afgewogen tegen de rechten van Unieburgers en hun familieleden (punt 62). Daarbij moet rekening worden gehouden met de fundamentele belangen waarvan het HvJ de eerbiediging waarborgt, in het bijzonder het recht op privé- en gezinsleven (punt 63). Ook dient te worden nagegaan of er andere maatregelen zijn die het recht op vrij verkeer minder aantasten en even doeltreffend zijn om de bescherming van de ingeroepen fundamentele belangen van de samenleving te waarborgen (punt 64).