ECLI:NL:RBDHA:2017:8745
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging inhouding VUT-equivalente premie zonder terugwerkende kracht per 2014
Eiser, militair bij het Commando Landstrijdkrachten, maakte bezwaar tegen het besluit van verweerder om per 1 januari 2015 te stoppen met de inhouding van de VUT-equivalente premie en de reeds ingehouden premies over januari tot en met maart 2015 te restitueren. Eiser stelde dat deze stopzetting met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 had moeten plaatsvinden, omdat militairen anders oneerlijk behandeld worden ten opzichte van burgerambtenaren.
De rechtbank oordeelde dat de inhouding van de premie vanaf januari 2014 ongewijzigd is voortgezet en dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de loonstroken van die periode. Hierdoor is het besluit tot voortzetting van de inhouding in rechte onaantastbaar geworden. De restitutie over 2015 is correct uitgevoerd, maar een verdere terugwerkende kracht is niet gerechtvaardigd.
Verweerder motiveerde dat de VUT-equivalente premie onderdeel is van een duuraanspraak en dat eerdere besluiten niet kunnen worden herzien zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Bovendien is de niet-gerestitueerde WUL-compensatie collectief gereserveerd voor het arbeidsvoorwaardenbudget, wat een bewuste afspraak is tussen minister en vakbonden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de motivering voor de regeling deugdelijk heeft onderbouwd en dat het beroep van eiser ongegrond is. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van de VUT-equivalente premie per 1 januari 2015 zonder terugwerkende kracht bevestigd.