Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Trb.1951, 32) (VBL) verworpen. Daartoe heeft het Hof verwezen naar hetgeen de militaire rechtbank ten aanzien van dit geschil heeft geoordeeld, hetgeen erop neerkomt dat de inhoudingen op het loon bij nationale wettelijke regelingen is voorgeschreven en dat een eventueel plaatsgevonden hebbende schending van artikel 3, eerste lid, van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie, aan de rechtsgeldigheid van deze wettelijke regelingen niets afdoet.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Trb.1951, 32), doordat het Hof onterecht heeft geoordeeld dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat het inkomensverlies dat bij militairen optreedt als gevolg van de invoering van de WUL (en na het door de Minister van Defensie treffen van een compensatiemaatregel) met genoemde verdragsbepalingen in overeenstemming is.
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Trb.1951, 32):