Eiser ontving bijstand en kreeg zijn uitkering verlaagd met 100% voor de duur van twee maanden omdat hij zonder geldige reden niet was verschenen op een intakegesprek voor het re-integratietraject Werken aan Werk. Verweerder stelde dat sprake was van recidive, omdat eerder ook een maatregel was opgelegd. Eiser voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de afspraak en dat er geen sprake was van recidive omdat hij toen geen recht op bijstand had. Ook stelde hij dat de verlaging disproportioneel was en dat hij niet zorgvuldig was gehoord.
De rechtbank oordeelde dat eiser de afspraak kende, omdat hij het formulier met de afspraak had ondertekend, en dat hij zonder geldige reden niet was verschenen. De maatregel was daarom terecht opgelegd. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder ter zitting had verklaard dat geen recidive aan het besluit ten grondslag had moeten liggen en wijzigde de duur van de maatregel van twee maanden naar één maand, conform de verordening.
Verder oordeelde de rechtbank dat de financiële gevolgen inherent zijn aan het verlagen van de uitkering en dat er geen dringende reden was om van de maatregel af te zien. De beroepsgrond over het niet zorgvuldig horen werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van € 1.980,- en het betaalde griffierecht van € 46,-.