ECLI:NL:RBDHA:2018:10058
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig besluit herzieningsverzoek vreemdelingen
Eiser, een Somalische vreemdeling, verzocht om herziening van een besluit uit 2003 waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen. Verweerder wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Eiser betwistte dit en stelde dat de verstrekte nationaliteitsverklaring en geboorteakte nieuwe feiten vormden, en dat de taalanalyses waarop verweerder zich baseerde ondeskundig waren.
De rechtbank oordeelde dat de nationaliteitsverklaring en geboorteakte slechts betrekking hadden op de nationaliteit en niet konden afdoen aan de eerdere taalanalyses die de herkomst van eiser betreffen. De rechtbank bevestigde dat verweerder terecht het verzoek tot herziening had afgewezen. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een nieuw besluit had genomen, waardoor een dwangsom van maximaal €1.260,- verbeurd was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het ging om het niet vaststellen van de dwangsom en bepaalde zelf de hoogte van de dwangsom. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. Het beroep werd daarmee deels gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank stelt een dwangsom van €1.260,- vast wegens het niet tijdig nemen van een besluit en wijst het beroep deels toe.