Eiseressen, een moeder en haar meerderjarige dochter uit Syrië, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan, welke door de Staatssecretaris werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat er geen meer dan normale emotionele afhankelijkheid bestond tussen eiseressen en hun dochter, de referente, ondanks hun meerderjarigheid en de zorgbehoefte van de moeder en zus.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de familierechtelijke relatie aannam, maar onvoldoende had gemotiveerd waarom de langdurige zorg en samenwoning niet leidden tot meer dan normale emotionele banden. Referente zorgde intensief voor haar moeder en zus, was jarenlang kostwinnaar en ondersteunde hen financieel en emotioneel. Na haar vertrek uit Syrië nam de broer de financiële ondersteuning over, maar dit maakte de afhankelijkheid niet minder relevant.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de medische situatie en de intensieve zorg, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiseressen te vergoeden.