Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
www.delft.nl. De brief is daarmee informatief van aard en roept geen rechtsgevolgen in het leven voor eiser. Dit betekent dat de brief niet kan worden gezien als een schriftelijke beslissing in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:596). Ter zitting heeft eiser overigens verklaard dat ook naar zijn mening geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
“kennelijke”situatie als bedoeld in artikel 7:3 van Pro de Awb om van het horen af te zien. Eisers betoog dat er sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb slaagt dan ook niet. Het beroep is dan ook, in zoverre, ongegrond.