ECLI:NL:RBDHA:2018:10746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken voorafgaand verblijf in andere lidstaat
Eisers, familieleden van een Nederlander die eerder de Dominicaanse nationaliteit bezat, vroegen om een verblijfsdocument EU/EER. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat eisers niet voorafgaand aan hun aanvraag met de referent, de Unieburger, in een andere EU-lidstaat hadden verbleven. Hierdoor viel hun situatie niet onder de analoge toepassing van de Verblijfsrichtlijn maar onder de nationale toelatingsvoorwaarden.
Eisers voerden aan dat zij recht hadden op verblijf als familieleden van een Unieburger die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer binnen de EU, verwijzend naar jurisprudentie van het HvJ EU en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de Verblijfsrichtlijn niet analoog van toepassing is wanneer geen voorafgaand verblijf in een andere lidstaat is geweest en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat dit niet leidt tot het gevraagde verblijfsdocument. Het beroep op het Chavez-arrest werd verworpen omdat de eisers niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en niet uit de EU zijn gezet. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.