ECLI:NL:RBDHA:2018:10746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2018
Publicatiedatum
6 september 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 21 VWEUArt. 7 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArt. 7:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken voorafgaand verblijf in andere lidstaat

Eisers, familieleden van een Nederlander die eerder de Dominicaanse nationaliteit bezat, vroegen om een verblijfsdocument EU/EER. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat eisers niet voorafgaand aan hun aanvraag met de referent, de Unieburger, in een andere EU-lidstaat hadden verbleven. Hierdoor viel hun situatie niet onder de analoge toepassing van de Verblijfsrichtlijn maar onder de nationale toelatingsvoorwaarden.

Eisers voerden aan dat zij recht hadden op verblijf als familieleden van een Unieburger die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer binnen de EU, verwijzend naar jurisprudentie van het HvJ EU en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de Verblijfsrichtlijn niet analoog van toepassing is wanneer geen voorafgaand verblijf in een andere lidstaat is geweest en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.

Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat dit niet leidt tot het gevraagde verblijfsdocument. Het beroep op het Chavez-arrest werd verworpen omdat de eisers niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en niet uit de EU zijn gezet. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/2841

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres 1], eiseres 1, V-nummer [V-nummer]

[eiseres 2], eiseres 2, V-nummer [V-nummer]
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Bij besluiten van 13 september 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Bij besluit van 11 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.
Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum] 1959 en is de grootmoeder van eiseres 2 en eiser. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum] 2003 en eiser is geboren op [geboortedatum] 2005. Eisers hebben de Dominicaanse nationaliteit. Eisers beogen verblijf als familieleden van [referent] (referent), de zoon van eiseres 1 en de vader van eiseres 2 en eiser, en zijn echtgenote [echtgenote] (referente) (gezamenlijk te noemen referenten). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Referent is op 6 maart 2017 genaturaliseerd tot Nederlander. Voorheen bezat hij de Dominicaanse nationaliteit. Bij besluit van 3 april 2014 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsdocument onder de beperking ‘familielid van een burger van de Unie’. Op 18 april 2016 hebben eisers de onderhavige aanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen. Als Unieburger heeft referente recht op verblijf in een andere Lidstaat en recht op terugkeer naar het land waarvan zij de nationaliteit heeft. Zij mag niet belemmerd worden in de uitoefening van haar EU-verblijfsrecht na verblijf in een ander EU-land. Familieleden die op grond van het EU-recht met een Nederlander in een andere lidstaat hebben verbleven, komen door toepassing naar analogie van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn) hier te lande in aanmerking voor een EU-document. Eisers hebben echter niet voorafgaand aan hun aanvragen met referente bestendig en gezinsopbouwend verblijf genoten in een andere lidstaat, alvorens naar Nederland te komen, zodat eisers niet binnen het toepassingsbereik van het Gemeenschapsrecht vallen. Derhalve zijn de nationale toelatingsvoorwaarden van toepassing op eisers.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en hebben hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij als familieleden van referente die Unieburger is en gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer binnen de EU, recht hebben op binnenkomst en verblijf in Nederland. Hiertoe verwijzen eisers naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van [geboortedatum] 2008 in de zaak C-127/08, Metock e.a. tegen Minister for Justice, Equality and Law Reform (Metock) en die van 29 december 2008 in de zaak C-551/07, Sahin tegen Bundesminister für Inneres (Sahin). Het effectiviteitsbeginsel vereist dat de terugkerende EU-burger, in casu referente, zijn in de gastlidstaat opgebouwde Europese aanspraken bij terugkomst in de lidstaat van herkomst behoudt. In dit verband verwijzen eisers naar het arrest van het HvJ EU van 11 december 2007 in de zaak C-291/06, Eind (Eind). Eisers doen voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Nu aan hen eerder een faciliterend C-visum ‘kort verblijf’ op grond van de Verblijfsrichtlijn is verleend, mochten zij erop vertrouwen dat een verblijfsdocument EU/EER zou worden verleend. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of eisers op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor verblijf in aanmerking komen. Hiertoe verwijzen eisers naar het arrest van het HvJ EU van 15 november 2011 in de zaak C-256/11, Dereci e.a. (Dereci) Tot slot zijn eisers van mening dat de hoorplicht is geschonden.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, verschaft verweerder aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1 van Pro de Vw 2000, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het verblijfsrecht uit het eerste lid zich uitstrekt tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
De Verblijfsrichtlijn is in beginsel niet van toepassing op burgers van de Unie die verblijven in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten. Dit betekent dat hun familieleden uit derde landen aan de nationale regelgeving moeten voldoen. Uit de arresten van het HvJ EU van 7 juli 1992 in de zaak C-370/90, Surinder Singh (Singh) en in Eind volgt dat de Verblijfsrichtlijn naar analogie van toepassing is op de situatie waarbij een burger van de Unie terugkeert naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit nadat hij betaald werk heeft verricht in een andere lidstaat, met een tot het gezin van die werknemer of zelfstandige behorende persoon, die de nationaliteit van een derde land heeft. De ratio van die analoge toepassing is dat een burger van de Unie niet mag worden belemmerd in het uitoefenen van zijn rechten uit het vrij verkeer, doordat hij bij terugkeer naar zijn land gescheiden zou kunnen raken van een familielid met de nationaliteit van een derde land.
6.2.
Het HvJ EU heeft voorts in het arrest van 12 maart 2014 in de zaak C-456/12, O. en B. (O. en B.) overwogen dat artikel 21, eerste lid, van het VWEU in die zin moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een burger van de Unie met een derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de in artikel 7, leden 1 en 2, of artikel 16, leden 1 en 2, van de Verblijfsrichtlijn genoemde voorwaarden, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, deze richtlijn naar analogie toepassing vindt wanneer die burger van de Unie met het betrokken familielid terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong (rechtsoverweging 61).
6.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraken van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3184 en ECLI:NL:RVS:2014:3179), volgt dat het familielid van een burger van de Unie in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit een afgeleid verblijfsrecht heeft, indien hij aannemelijk maakt dat hij samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastland heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers niet met referente voorafgaand aan hun aanvragen verblijf hebben genoten in een andere lidstaat, alvorens met referente naar Nederland te komen. Reeds om die reden is de Verblijfsrichtlijn, gelet op hiervoor genoemde jurisprudentie van het HvJ EU en die van de Afdeling, niet analoog op eisers van toepassing. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het effectiviteitsbeginsel verlangt dat de Verblijfsrichtlijn ook analoog moet worden toegepast in het geval een familielid zich niet reeds in de gastlidstaat bij de Unieburger heeft gevoegd maar pas nadat de Unieburger is teruggekeerd naar zijn eigen lidstaat. Van een belemmering in het uitoefenen van de rechten van het vrij verkeer door een Unieburger kan dan immers geen sprake zijn. Eisers beogen verblijf bij een Nederlander die in Nederland verblijft, zodat zij aan het EU recht geen verblijfsrecht kunnen ontlenen maar aan de nationale toelatingsvoorwaarden dienen te voldoen.
7. Aan de omstandigheid dat aan eisers visa zijn verstrekt, kunnen eisers niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zij ook in aanmerking komen voor een verblijfsdocument EU/EER. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat aan eisers een verblijfsdocument zal worden afgegeven, is geen sprake geweest, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds hierom niet slaagt.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat eisers geen geslaagd beroep op artikel 8 van Pro het EVRM kunnen doen. Nu de door eisers ingediende aanvraag ziet op het vaststellen van rechtmatig verblijf op grond van het vrij verkeer van personen, kan een beoordeling van een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet leiden tot de afgifte van het gevraagde verblijfsdocument. Voor zover eisers van mening zijn dat zij op grond van artikel 8 van Pro het EVRM voor verblijf in aanmerking komen, kunnen zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
9. Ter zitting hebben eisers een beroep gedaan op het arrest van het HvJ EU van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez e.a. (Chavez). Van een situatie waarin een kind die burger van de Unie is, genoopt zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Eiseres 2 en eiser bezitten de Nederlandse nationaliteit niet en verblijven ook niet op het grondgebied van de EU, zodat van een uitzetting geen sprake kan zijn. Het beroep van eisers op Chavez slaagt dan ook niet.
10. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eisers en referenten in bezwaar te horen, faalt eveneens. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eisers hebben aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eisers en referenten kon worden afgezien.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.