Eiser, een Soedanese asielzoeker van de Zaghawa bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke werd afgewezen door de staatssecretaris. Hij voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was en niet samen met de afwijzing van zijn asielaanvraag mocht worden opgelegd. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit volgens de Terugkeerrichtlijn gelijktijdig met de afwijzing kan worden genomen en dat de illegale status van het verblijf ook later kan ingaan.
De rechtbank ging inhoudelijk in op het asielrelaas van eiser, die vluchtte na moorden op familieleden door de Janjaweed en discriminatie in Khartoum ondervond. Verweerder achtte de indicaties onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade aan te nemen, mede vanwege het tijdsverloop en het feit dat eiser zeven jaar zonder problemen in Khartoum verbleef.
Eiser stelde dat Khartoum ten onrechte als plaats van herkomst werd beschouwd, maar de rechtbank vond dat gezien het feitelijke verblijf dit terecht was. Ook het betoog dat het behoren tot de Zaghawa reeds voldoende was voor bescherming faalde, omdat het beleid beperkte indicaties vereist en algemene informatie onvoldoende is.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het terugkeerbesluit onder opschortende voorwaarden is opgelegd, waarbij de gevolgen van niet-naleving later intreden. De werking van het besluit is opgeschort zolang het beroep loopt. Het beroep werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.