ECLI:NL:RBDHA:2018:11237
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken regionale binding en geen toepassing hardheidsclausule
Eiseres verzocht bij het Dagelijks Bestuur van Holland Rijnland om een urgentieverklaring, welke op 16 januari 2018 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde verweerder dit bezwaar op 23 april 2018 ongegrond. Eiseres stelde dat zij vanwege haar thuissituatie en het risico dakloos te worden, recht had op urgentie en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. Tevens stelde zij dat het besluit in strijd was met artikel 2 van Pro het IVRK.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de vereisten van regionale binding zoals omschreven in de Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2015, aangezien zij niet ten minste twee jaar ingezetene was en geen economische of maatschappelijke binding kon aantonen. De aanwezigheid van vrienden en de vader van haar dochter in de regio was onvoldoende.
De hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van verweerder en kan slechts met terughoudendheid worden toegepast. Verweerder had in redelijkheid geen aanleiding gezien deze toe te passen, mede vanwege de schaarste aan sociale woningen en het feit dat eiseres bewust naar de regio was verhuisd zonder adequate huisvesting of inkomen. De belangen van het minderjarige kind zijn voldoende meegewogen, waarbij tijdelijk verblijf bij een kennis mogelijk is en geen sprake is van volledige worteling in de regio.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.