Eiser diende een aanvraag in voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv), welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen omdat de familierelatie met zijn echtgenote niet aannemelijk was gemaakt met documenten. Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte geen toepassing had gegeven aan artikel 2.1.1.1 van de IND-Werkinstructie 2014/9, die op het moment van aanvraag van kracht was. Deze instructie schrijft voor dat bij twijfel over documenten een interview met identificerende vragen en eventueel DNA-onderzoek moet worden aangeboden om de identiteit en gezinsband vast te stellen.
Omdat verweerder dit identificerend gehoor niet heeft aangeboden, handelde hij onzorgvuldig en was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.