ECLI:NL:RBDHA:2018:11631
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige ontvoeringsclaim in Libië
Eiser, een Libische nationaliteit dragende persoon, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na een vermeende ontvoering door een militie in Libië. Hij stelde dat hij in januari 2018 werd ontvoerd, mishandeld en vastgehouden, waarna losgeld werd betaald voor zijn vrijlating. Hij vreesde voor zijn leven en verliet Libië.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de ontvoering en het motief daarvoor. De rechtbank bevestigde dit oordeel, wijzend op tegenstrijdigheden in het relaas over de auto van eiser, het ontbreken van concrete aanwijzingen over de ontvoerders en de locatie van detentie, en het feit dat de overgelegde verklaring van een voormalige werkgever onvoldoende onderbouwing bood.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenstatus of bescherming op grond van artikel 3 EVRM Pro. Ook de door eiser aangevoerde landeninformatie en het UNHCR-rapport konden dit niet wijzigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanvraag definitief afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige ontvoeringsverklaring.