ECLI:NL:RBDHA:2018:11742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis wegens ontbreken feitelijke gezinsband
Eiseres, met Filipijnse nationaliteit, en haar minderjarige dochter vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan in het kader van nareis, ingediend door de referent die een verblijfsvergunning asiel had. De aanvraag werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eiseres en haar dochter feitelijk tot het gezin van de referent behoorden op het moment van diens binnenkomst in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten, waaronder huwelijks- en geboorteaktes, discrepanties vertoonden en niet overeenkwamen met verklaringen van eiseres en referent. Verweerder hoefde de stelling dat deze discrepanties veroorzaakt werden door het lage IQ van eiseres niet te honoreren. Ook werd geen DNA-onderzoek toegekend.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 strikt moet worden uitgelegd. Daarnaast faalde het bezwaar dat verweerder ten onrechte geen gehoor had gegeven aan eiseres en referent, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Soffers op 3 september 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.