ECLI:NL:RBDHA:2018:11781

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2018
Publicatiedatum
2 oktober 2018
Zaaknummer
NL18.264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens te late aanvraag verlenging asielvergunning zonder verschoonbare termijnoverschrijding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij de aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingewilligd met ingang van 12 april 2017. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 29 augustus 2018 behandeld, waarbij verweerder niet is verschenen.

De kern van het geschil betreft de vraag of de te late indiening van de aanvraag tot verlenging aan eiser kan worden toegerekend en of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank overweegt dat de vreemdeling zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van de aanvraag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon weten dat zijn verblijfsvergunning zou verlopen, noch heeft hij zijn psychische toestand met medische stukken onderbouwd.

De stellingen van eiser dat zijn werkgever en uitkeringsinstantie pas later ontdekten dat de vergunning was verlopen en dat verweerder geen aanvraagformulier had toegezonden, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege te late aanvraag verlenging verblijfsvergunning zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.264
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

ProcesverloopBij besluit van 18 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd met ingang van 12 april 2017, geldig tot 12 april 2022.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A.P. Shanthan. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank de zaak geschorst.
Na de schorsing heeft de rechtbank de behandeling van de zaak ter zitting hervat en eiser in de gelegenheid gesteld nog een korte opmerking te maken.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Een verblijfsvergunning asiel wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag door verweerder is ontvangen. Dit geldt ook voor verlengingen. Indien een verlengingsaanvraag te laat is ingediend maar dit niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de ‘oude’ vergunning afloopt. Dit volgt uit artikel 44, tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Bij de beantwoording van de vraag of te late indiening van de aanvraag aan eiser is toe te rekenen, komt aan verweerder beoordelingsvrijheid toe. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het te laat indienen van de aanvraag aan eiser valt toe te rekenen en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uit de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:693) volgt dat de vreemdeling zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van een vervolgaanvraag. Uit het besluit van
13 december 2012 blijkt dat de verblijfsvergunning is verleend met ingang van 27 april 2011. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de tijd tot 27 april 2017 niet kon weten dat zijn verblijfsvergunning op dat moment zou verlopen. Dat eisers werkgever en later de uitkeringsinstantie er ook pas later achter kwamen dat eisers verblijfsvergunning was verlopen leidt niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen aanvraagformulier had toegezonden voor de aanvraag voor de verlenging van de verblijfsvergunning, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van eiser in deze. Eisers stelling dat hij door zijn psychische toestand niet in staat was om tijdig een aanvraag tot verlenging aan te vragen, is niet door middel van (medische) stukken onderbouwd en faalt reeds hierom.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel