ECLI:NL:RBDHA:2018:1240
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste gegevens en ongeloofwaardig asielrelaas
Eiser, een Pakistaanse christen, kreeg in 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. Verweerder trok deze vergunning in met terugwerkende kracht vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet overleggen van het paspoort, wat leidde tot twijfel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Verweerder baseerde het besluit mede op informatie van de Britse autoriteiten waaruit bleek dat eiser meerdere visa had verkregen en een paspoort had overgelegd, hetgeen niet was gemeld. Eiser erkende onjuistheden maar handhaafde zijn relaas met andere data. Diverse documenten ter onderbouwing werden overgelegd, maar verweerder achtte deze onvoldoende en deels vals.
De rechtbank oordeelde dat eiser zelf verantwoordelijk was voor het niet melden van zijn verblijf in het VK en dat verweerder terecht twijfelde aan de oprechtheid van het asielrelaas. Ook het beroep op beleid voor christenen uit Pakistan werd verworpen omdat de verklaringen niet geloofwaardig waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het opgelegde inreisverbod bleef buiten beschouwing omdat daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.