ECLI:NL:RBDHA:2018:12411
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf voor familiebezoek wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiseres, een Iraanse vrouw van 83 jaar, vroeg een visum kort verblijf aan om haar dochter in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit af omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende had aangetoond, onvoldoende middelen van bestaan kon aantonen en er redelijke twijfel bestond over haar voornemen om tijdig terug te keren naar Iran.
Eiseres voerde aan dat zij tijdig zou terugkeren, onderbouwde dit met een zorgcontract en bankafschriften, en beriep zich op artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de sociale binding met Iran gering is omdat zij geen directe familie meer heeft in Iran en het zorgcontract niet overtuigend was verlengd. De economische binding was onvoldoende aangetoond, mede omdat de herkomst van de bankbedragen onduidelijk bleef.
De rechtbank stelde dat de minister een ruime beoordelingsruimte heeft bij het toetsen van het terugkeerperspectief en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig zal terugkeren. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het visum geweigerd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.