ECLI:NL:RBDHA:2018:12712
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen terugkeerbesluit wegens beëindiging vrije termijn na strafbaar feit
Eiser, van Albanese nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit waarin hij werd opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en een gepleegd strafbaar feit. Eiser betwistte dit en verwees naar zijn biometrisch paspoort en het arrest Z.Zh. en I.O., stellende dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een actueel gevaar voor de openbare orde.
De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad vrijgesteld is van visumplicht en dat hij tijdens het strafbare feit nog in zijn vrije termijn zat. Echter, de vrije termijn eindigt door het gepleegde strafbare feit, wat door verweerder terecht is vastgesteld. De rechtbank volgde het voorlopige oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak dat het arrest Z.Zh. en I.O. niet zonder meer van toepassing is op de beoordeling van het beëindigen van de vrije termijn.
Daarnaast vond de rechtbank dat verweerder terecht aannam dat eiser zich mogelijk aan toezicht zou onttrekken vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat de vrije termijn is geëindigd door een strafbaar feit en verweerder terecht het arrest Z.Zh. en I.O. niet toepaste.