ECLI:NL:RBDHA:2018:13144
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- M. Meijers
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker door COa
Verzoeker, een asielzoeker die in Nederland verbleef, kreeg op 29 oktober 2018 te horen dat hij geen recht meer had op opvangvoorzieningen, waardoor deze met onmiddellijke ingang werden beëindigd. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de beëindiging ongedaan te maken.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening gegrond was, omdat verzoeker recht heeft op opvang zolang het beroep tegen het besluit loopt. De voorzieningenrechter stelde vast dat de beëindiging van de opvangvoorzieningen van rechtswege volgt uit de Vreemdelingenwet 2000, maar dat de rechtsbescherming van verzoeker onder de EU-richtlijnen en het Handvest van de grondrechten valt.
Het COa stelde zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd was en dat verzoeker niet onder de Opvangrichtlijn viel, maar dit werd verworpen. De rechtbank bepaalde dat het COa de beëindiging van de opvang en verstrekkingen moet terugdraaien totdat op het beroep is beslist. Tevens werd het COa veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het COa moet de beëindiging van de opvang ongedaan maken totdat op het beroep is beslist.