ECLI:NL:RBDHA:2019:5052
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen buiten-zittinguitspraak over recht op opvang tijdens beroep tegen bevel tot terugkeer naar EU-land
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het verzet tegen een buiten-zittinguitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep van geopposeerde tegen het beëindigen van zijn opvangvoorzieningen kennelijk gegrond werd verklaard. Opposant, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), had de opvang per 29 oktober 2018 beëindigd omdat geopposeerde een bevel had gekregen om naar Griekenland terug te keren, waar hij reeds bescherming genoot.
De rechtbank had het beroep zonder zitting afgedaan omdat zij van oordeel was dat het buiten redelijke twijfel stond dat geopposeerde recht had op opvang gedurende de beroepsprocedure tegen het terugkeerbesluit. Opposant stelde in het verzet dat deze beoordeling onvoldoende gemotiveerd was en dat het recht op opvang in deze situatie niet zonder meer vaststaat.
De rechtbank oordeelt dat het een complexe rechtsvraag betreft en dat het voorlopige oordeel onvoldoende is om het beroep kennelijk gegrond te verklaren zonder zitting. Daarom verklaart de rechtbank het verzet gegrond, vervalt de buiten-zittinguitspraak en wordt de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling door een meervoudige kamer. Ook het standpunt van opposant dat de beëindiging van de opvang geen besluitgelijkgestelde feitelijke handeling betreft, zal opnieuw worden onderzocht.
De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 mei 2019 door rechter E.S.G. Jongeneel. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de buiten-zittinguitspraak vervalt en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.