Eiseres is gefuseerd met een andere vennootschap waarbij een onroerende zaak onder algemene titel is overgegaan. Eiseres betaalde overdrachtsbelasting en verzocht om vrijstelling op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR).
De rechtbank beoordeelde of de fusie hoofdzakelijk plaatsvond op zakelijke overwegingen zoals vereist in artikel 5bis van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Eiseres stelde dat dit het geval was en voerde subsidiariteit aan tegen de uitleg van het begrip zakelijke overwegingen in de Nota van toelichting.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de fusie zakelijke overwegingen had, aangezien het vermogen van de verdwijnende vennootschap vooral bestond uit een verhuurd pand dat feitelijk al door eiseres werd verhuurd. De fusie resulteerde slechts in overdracht van dat pand en het verdwijnen van de vennootschap, wat niet valt onder de beoogde vrijstelling.
De subsidiaire argumenten van eiseres werden eveneens verworpen. De rechtbank wees erop dat de vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting verschillende heffingen zijn met verschillende fiscale faciliteiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.