ECLI:NL:RBDHA:2018:13205
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing ondernemingsplan
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als zelfstandige bij een eenmanszaak die een voortzetting is van een eerder bedrijf. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de staatssecretaris geen inhoudelijk oordeel over het ondernemingsplan heeft gegeven, maar heeft beoordeeld of de aanvraag voldoende was onderbouwd. Het ondernemingsplan ontbeert een gedegen markt- en concurrentieanalyse die inzicht geeft in de behoefte aan de bedrijfsactiviteiten en onderscheid ten opzichte van concurrenten. Ook ontbreekt vermelding van het eigenaarschap van het eerdere bedrijf sinds 2011.
De overige ingediende stukken herstellen de gebrekkige analyse niet, waardoor onvoldoende informatie is verstrekt om de levensvatbaarheid en marktpositie te beoordelen. Recente financiële stukken in bezwaar veranderen dit oordeel niet. Verzoekers betoog over een strikter toelatingsbeleid voor Turkse ondernemers en een beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en verschillen in aanvraagsoorten.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige.