ECLI:NL:RBDHA:2018:13451
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die in een eerdere zaak een onwelgevallige beslissing voor verzoeker heeft genomen. Verzoeker stelde dat het vonnis van 9 februari 2017 onbegrijpelijk was en dat dit duidde op vooringenomenheid. Tevens wees verzoeker op het niet beslissen op een verzoek tot verbetering van kennelijke fouten en op de bevoegdheidsverklaring van de kantonrechter ondanks een eerdere kortgedingbeslissing.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het enkele feit dat een rechter een onwelgevallige beslissing neemt, is onvoldoende. Ook een onjuist of gebrekkig gemotiveerde beslissing kan geen grond vormen voor wraking, tenzij de motivering onomstotelijk wijst op vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeerde dat de aangevoerde gronden niet voldoen aan deze hoge drempel. De motivering van het vonnis was niet zo onbegrijpelijk dat dit een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid oplevert. Processuele beslissingen en het niet beslissen op een verzoek tot verbetering zijn geen wrakingsgrond. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
De beslissing werd door de wrakingskamer in aanwezigheid van de griffier openbaar uitgesproken op 8 november 2018. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende aanwijzingen voor vooringenomenheid.