Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
gev. ttz.)
1.Het onderzoek ter terechtzitting
pro forma), 18 april 2017 (
regie) en 29 oktober 2018, 30 oktober 2018, 1 november 2018 en 2 november 2018 (
inhoudelijk).
2.De tenlastelegging
3.Partiële nietigheid dagvaarding
en’ zoals opgenomen in het onderdeel ‘en/of’ tussen het onder 2,
1ecumulatief/ alternatief ten laste gelegde feit en het onder 2,
2e cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, partieel nietig verklaren, omdat dit innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging oplevert. De twee tenlastegelegde feiten sluiten elkaar uit en kunnen daarom niet cumulatief, maar slechts alternatief (of primair-subsidiair) worden ten laste gelegd. De tenlastelegging voldoet in zoverre niet aan de eisen die artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering stelt.
- het door [A ltd] ) en/of [B ltd] ) werkzaam zijn als trustkantoor in Nederland zonder vergunning (feit 2, 1e alternatief);
- het door [A ltd] en/of [B ltd] opzettelijk in Nederland werkzaamheden verrichten, gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat zonder vergunning (feit 2, 2e alternatief).
1 juli 2012tot en met 28 januari 2014 te ‘s-Gravenhage opzettelijk werkzaamheden heeft verricht, gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning van de toezichthouder, aan welke verboden gedraging hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
(…) de integriteit van de financiële markten in Nederland te beschermen en witwassen te voorkomen wordt voorgesteld voor dienstverrichting naar Nederland een vergunning van de Nederlandse toezichthouder verplicht te stellen. Dit met uitzondering van dienstverrichting door een trustkantoor met zetel in een door de Minister van Financiën aangewezen staat. Dit waarborgt dat het vrij verkeer van dienstverlening door trustkantoren onbelemmerd blijft zolang het trustkantoor een zetel heeft in een staat waar het toezicht op trustkantoren van gelijkwaardig niveau is.” (Wijzigingswet financiële markten 2012, 32 781, nr. 3, p. 5.)
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De strafoplegging
pro formater terechtzitting bij de rechtbank behandeld en voor regie naar de rechter-commissaris verwezen. Het onderzoeksdossier is medio 2015 afgerond, waarna vervolgens op 26 januari 2016 regie-overleg bij de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden en de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging vele getuigen heeft gehoord, zowel in Nederland als op Cyprus. Naast de getuigen die de rechter-commissaris heeft toegewezen heeft de rechtbank op de regie zitting van 18 april 2017 getuigen toegewezen. De getuigen zijn in de periode vanaf juli 2016 tot en met maart 2018 gehoord. In de week van 29 oktober 2018 tot en met 2 november 2018 is de zaak inhoudelijk ter terechtzitting bij de rechtbank behandeld. Heden, 16 november 2018, wordt vonnis gewezen.
8.De inbeslaggenomen goederen
9.De toepasselijke wetsartikelen
en’ zoals opgenomen in het onderdeel ‘en/of’ tussen het onder 2,
1ecumulatief/ alternatief ten laste gelegde feit en het onder 2,
2e cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit;
180 (honderdtachtig) UREN;
90 (negentig) DAGEN;