ECLI:NL:RBDHA:2018:13745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2018
Publicatiedatum
20 november 2018
Zaaknummer
AWB 18/1639
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 2 Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf in kader nareis wegens onvoldoende bewijs identiteit en gezinsband

Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, had namens haar een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, welke door verweerder op 18 november 2016 werd afgewezen. Het bezwaar van eiseres werd door verweerder kennelijk ongegrond verklaard omdat zij niet beschikte over een geldig identiteitsbewijs en wettelijke huwelijksakte, en onvoldoende duidelijkheid gaf over haar relatie met de referent.

De rechtbank overweegt dat verweerder sinds november 2017 een nieuwe gedragslijn hanteert voor nareiszaken, waarbij ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten worden betrokken. Eiseres heeft geen officiële documenten overgelegd die haar identiteit aannemelijk maken en ook geen substantieel ander bewijs, zoals onofficiële documenten met foto. De door haar ingebrachte kopie van een registratiekaart was onvoldoende bewijs.

Ook het huwelijk met de referent is niet aannemelijk gemaakt, omdat de kerkelijke huwelijksakte niet onderzocht kon worden en de registratie in de Nederlandse BRP slechts op mondelinge verklaring van de referent berust. De rechtbank oordeelt dat verweerder in lijn met zijn beleid heeft gehandeld en dat er geen schending is van artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/1639
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 november 2018 in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
gemachtigde: mr. J.E. de Poorte,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 februari 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft op 15 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is na voorafgaand bericht niet verschenen. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 2] (referent) en A. Mohammedali, tolk. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 17 december 2015 heeft referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, namens haar een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Op 18 november 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs en wettelijke huwelijksakte en dat er geen geldige reden is gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Verder is er inconsistent verklaard over het samenwonen en is er onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze invulling is gegeven aan de relatie.
3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken [1] . Deze houdt - kort weergegeven - in dat verweerder ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten in zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Deze kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van officiële documenten, of bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of er sprake is van contra-indicaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, onder meer, in haar uitspraak van 16 mei 2018 [2] geoordeeld dat deze in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn [3] .
5. Vast staat dat eiseres geen officiële documenten heeft overgelegd die haar identiteit kunnen aantonen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs haar niet verweten kan worden onder meer omdat zij altijd op het platteland heeft gewoond
.Zij heeft hierbij verwezen naar het rapport van de VU Migration Law Clinic [4] , maar zij heeft verder niet gesubstantieerd op welke passage zij zich hierbij beroept. Hier tegenover staan de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde bronnen. Uit het meest recente ambtsbericht [5] blijkt dat, waar in het vorige ambtsbericht werd gesteld dat buiten de steden niet iedereen een identiteitsdocument heeft, uit nader onderzoek is gebleken dat ook daar vrijwel geen Eritreeërs zijn zonder identiteitsdocument. Daarnaast heeft eiseres ook geen ander substantieel bewijs van haar identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overgelegd. De door haar ingebrachte kopie van een registratiekaart kan niet worden gezien als substantieel, nu hier geen foto op zit. Daarnaast betreft het een zeer slecht leesbare kopie. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiseres het bestaan van een huwelijk met referent niet heeft aangetoond door het inbrengen van een kopie van een kerkelijke huwelijksakte, waarnaar geen onderzoek kan worden verricht. Dat referent het huwelijk heeft kunnen laten registreren in de Nederlandse BRP [6] maakt niet dat het huwelijk wel aannemelijk moet worden geacht nu deze registratie geschiedt op basis van de mondelinge verklaring van referent [7] .
7. Nu de beoordeling van verweerder heeft plaatsgevonden in overeenstemming met zijn gedragslijn, is geen sprake van schending van artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.brief 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19637, nr. 2354).
3.Richtlijn 2003/86/EG
4.Rapport: The ‘bewijsnood’ policy of the Dutch immigration service: A correct interpretation of the Family Reunification Directive or an unlawful procedural hurdle? van de VU Migration Law Clinic, mei 2017
5.Algemeen Ambtsbericht Eritrea van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 21 juni 2018, bladzijde 21
6.Basisregistratie Personen
7.Verklaring onder ede (of belofte) bij het ontbreken van brondocumenten