ECLI:NL:RBDHA:2018:13947
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 13 juni 2018 in Nederland een asielaanvraag in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat aanvankelijk werd afgewezen omdat eiser zou hebben verklaard het grondgebied van de lidstaten langer dan drie maanden te hebben verlaten.
Eiser voerde aan dat hij met documenten kon aantonen dat hij meer dan drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven, waaronder een Turks huurcontract, een buskaart, een foto en een Google Maps-kaart. De rechtbank oordeelde echter dat deze documenten niet voldoende objectief en verifieerbaar waren om aan te tonen dat eiser daadwerkelijk aaneengesloten drie maanden of langer buiten het Dublingebied verbleef.
Verder stelde eiser dat verweerder de Duitse autoriteiten niet had geïnformeerd over deze documenten. De rechtbank overwoog dat verweerder de documenten pas na het verzoek en de second opinion aan Duitsland had overgelegd, nadat Duitsland het verzoek al had geaccepteerd. Gezien de geringe bewijskracht van de stukken was verweerder niet verplicht deze alsnog te verzenden.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet had aangetoond dat Duitsland niet verantwoordelijk was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.