ECLI:NL:RBDHA:2018:1395
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid vaststelling ingangsdatum verblijfsrecht op grond van gemeenschapsrecht
Eiser, een Iraakse nationaliteit bezittende vreemdeling, stelde beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris van 10 augustus 2017 waarbij een verblijfsdocument werd toegekend conform artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser vorderde dat de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht zou worden vastgesteld.
De staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat hij daartoe niet bevoegd is op grond van het gemeenschapsrecht en verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank overwoog dat het belang van eiser bij vaststelling van de ingangsdatum van het verblijfsrecht bestaat, maar dat de staatssecretaris vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag niet bevoegd is deze datum vast te stellen.
De rechtbank verwierp de door eiser aangehaalde jurisprudentie als niet relevant voor de bevoegdheid tot vaststelling van de ingangsdatum. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de staatssecretaris niet bevoegd is de ingangsdatum van het verblijfsrecht vast te stellen.