ECLI:NL:RVS:2011:BP5947
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid vaststelling ingangsdatum rechtmatig verblijf vreemdeling
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep door de rechtbank 's-Gravenhage inzake de afgifte van een verblijfsdocument dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bewijst.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris bevoegd was om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling vast te stellen. De vreemdeling stelde dat deze datum van belang was voor het verkrijgen van duurzaam verblijfsrecht na vijf jaar ononderbroken verblijf.
De Raad van State oordeelde dat de afgifte van het verblijfsdocument slechts betrekking heeft op de geldigheid van het document als bewijs van rechtmatig verblijf en niet op de vaststelling van de ingangsdatum van dat verblijf. Hoewel het nationale recht de mogelijkheid biedt om deze ingangsdatum vast te stellen indien uitdrukkelijk verzocht, ontbreekt een wettelijke grondslag in de Vreemdelingenwet 2000 voor een dergelijke bevoegdheid van de staatssecretaris.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bevoegdheid. De Raad van State wees tevens het griffierecht toe aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bevoegdheid van de staatssecretaris om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen.