ECLI:NL:RBDHA:2018:14333
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Azerbeidzjan
Verzoekers, burgers van Azerbeidzjan, hebben meerdere asielaanvragen ingediend die allen zijn afgewezen. Hun vijfde asielaanvraag werd op 8 november 2018 afgewezen als kennelijk ongegrond. Vervolgens maakten zij bezwaar tegen hun voorgenomen uitzetting op 19 november 2018 en verzochten om een voorlopige voorziening om deze uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de beoordeling van de vreemdelingenbewaring buiten de reikwijdte van deze procedure valt en dat het bezwaar tegen uitzetting zich beperkt tot de wijze waarop de staatssecretaris zijn bevoegdheid gebruikt of tot nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting ondermijnen. Verzoekers hebben geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel trekken.
De gestelde bekering tot het christendom is door verweerder steeds als ongeloofwaardig beoordeeld en deze stelling is niet nader onderbouwd. Ook het feit dat de twee oudste kinderen voor het eerst zelfstandig zijn gehoord, vormt geen nieuw asielmotief. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting ondermijnen.