ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid feitelijke uitzetting en toepassing artikel 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning ongegrond verklaarde.
De vreemdeling maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting krachtens artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat bezwaar tegen feitelijke uitzetting alleen mogelijk is als aanvulling op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de procedure over het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking van een verblijfsvergunning.
De voorzitter van de Afdeling is exclusief bevoegd om een dergelijk verzoek te behandelen als gelijktijdig beroep en hoger beroep lopen. Indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen, mag de staatssecretaris de vreemdeling niet uitzetten totdat op het beroep is beslist.
De feiten en omstandigheden aangevoerd door de vreemdeling in zijn bezwaar tegen de feitelijke uitzetting worden als aanvulling van het hogerberoepschrift beschouwd en meegenomen in de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep wordt als kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.