ECLI:NL:RBDHA:2018:14337
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Estland wegens verlopen verblijfsvergunning
Verzoeker, een staatloze persoon die sinds 2014 asiel aanvraagt, is meerdere malen afgewezen in zijn asielverzoeken en verblijfsaanvragen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een uitzettingsbesluit genomen naar Estland, waar verzoeker volgens de autoriteiten toegang toe heeft, ondanks het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.
Verzoeker betoogt dat hij geen geldige verblijfsvergunning in Estland heeft en vreest een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Hij stelt dat Estland niet als veilig derde land kan worden aangemerkt. De staatssecretaris stelt dat Estland de toegang heeft gegarandeerd en dat het beroep op artikel 3 EVRM Pro onvoldoende is onderbouwd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de staatssecretaris bevoegd is tot uitzetting omdat Estland toegang heeft gegarandeerd. Nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting zouden kunnen aantasten zijn niet voldoende aangevoerd. Het bezwaar heeft daarom geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Estland wordt afgewezen.