ECLI:NL:RBDHA:2018:14341

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 november 2018
Publicatiedatum
5 december 2018
Zaaknummer
NL18.19292
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) nr. 604/2013Wetsdecreet nr. 113/2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

De eiser heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. De eiser betwistte de overdracht aan Italië, stellende dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, met name op het gebied van opvang en medische zorg.

De rechtbank oordeelde dat Italië gehouden is de aanvraag te behandelen conform de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. De enkele verwijzing van eiser naar incidentele gevallen van onvoldoende opvang is onvoldoende om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook zijn de medische klachten van eiser niet voldoende onderbouwd om aanvullende garanties te eisen of Nederland als meest aangewezen land aan te merken.

Het door eiser genoemde decreet dat de opvang in SPRAR-locaties beperkt, is niet aannemelijk gemaakt als persoonlijk nadelig voor hem. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.19292
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Deiman),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de behandeling van zijn beroep (NL18.19293).
Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 22 november 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Martens, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Italië is op grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk voor behandeling van het asielverzoek, nu eiser daar eerder een asielaanvraag heeft gedaan en Italië akkoord is met terugname van eiser.
2. Eiser is het niet eens met overdracht aan Italië. Eiser stelt dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er echter terecht op gewezen dat Italië gehouden is om het asielverzoek van eiser te behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. Eisers verwijzing naar incidentele gevallen waarin een Dublinterugkeerder geen opvang kreeg, is geen grond om hieraan voorbij te gaan en niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3. Voor wat betreft de opvang geldt verder dat volgens de stand van de rechtspraak er in het algemeen geen aanleiding bestaat om van Italië aanvullende garanties te eisen, zoals bedoeld in Tarakhel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval anders ligt. Uit de door eiser overgelegde medische gegevens blijkt niet dat eiser een bijzondere medische zorg nodig heeft die in Italië niet voorhanden zal zijn of waarvoor Nederland anderszins het meest aangewezen land is. Dat eiser stelt specialistische hulp nodig te hebben in verband met hartklachten en diabetes of anderszins is niet met documenten onderbouwd. Uit hoofde van de Opvangrichtlijn is Italië verder gehouden om aan eiser medisch noodzakelijke hulp te bieden. Verweerder heeft dan ook kunnen oordelen dat de medische klachten van eiser geen aanleiding zijn om de asielaanvraag in Nederland te behandelen.
4. Voor zover eiser heeft gewezen op het decreet [2] dat de opvang in SPRAR-locaties beperkt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dit voor hem persoonlijk gevolgen heeft, omdat hij voor die opvang in aanmerking zou zijn gekomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 22 november 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013
2.Wetsdecreet nr. 113/2018