ECLI:NL:RBDHA:2018:14441
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens bescherming in Roemenië
Eiser, een Syrische nationaliteit, heeft een asielaanvraag in Nederland ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij reeds internationale bescherming geniet in Roemenië. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser betoogt dat hij in Roemenië geen adequate bescherming, medische zorg, werk of uitkering ontvangt en vreest voor de Syrische inlichtingendienst. Hij beroept zich op het niet langer toepassen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwijst naar artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank stelt echter vast dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van het ontbreken van bescherming in Roemenië en dat de situatie van statushouders in Roemenië niet zodanig is dat terugkeer onredelijk is.
De rechtbank wijst erop dat eiser zijn stellingen niet met documenten van instanties heeft onderbouwd en dat het aangehaalde AIDA-rapport niet op statushouders maar op asielzoekers betrekking heeft. De rechtbank concludeert dat de Staatssecretaris terecht mocht vertrouwen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond is.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier I.N. Powell op 5 december 2018 in Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.