ECLI:NL:RBDHA:2018:14763
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs bij nareis echtgenoot Eritrea
Eiser, een Eritrese nationaliteit bezittende vreemdeling, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis van zijn echtgenote. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser geen officieel identiteitsbewijs kon overleggen en zijn identiteit niet aannemelijk maakte.
De rechtbank overwoog dat eiser geen bewijsnood had en dat de overgelegde tijdelijke verblijfsvergunning voor Israël en de kerkelijke huwelijksakte onvoldoende bewijs vormden. Eiser stelde dat hij nooit een paspoort had gehad en dat hij geen geldig identiteitsdocument kon verkrijgen, maar dit werd onvoldoende aannemelijk geacht.
Verweerder handelde volgens de rechtbank in overeenstemming met het geldende beoordelingskader en de Gezinsherenigingsrichtlijn. De hoorplicht werd niet geschonden omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar zou leiden tot een ander besluit.
De rechtbank concludeerde dat eiser zijn identiteit niet had aangetoond en verklaarde het beroep ongegrond. De gezinsband met de referent werd niet inhoudelijk beoordeeld vanwege het ontbreken van identiteitsbewijs.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van identiteit.