ECLI:NL:RBDHA:2018:14775

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
AWB 17/3795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis op basis van onvoldoende bewijs van een huwelijk en gezinsband

In deze zaak heeft eiseres, een Eritrese nationaliteit bezittende vrouw, beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis werd afgewezen. De rechtbank heeft op 10 december 2018 uitspraak gedaan in deze zaak, die werd behandeld door een enkelvoudige kamer in de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg. Eiseres had de aanvraag ingediend om bij haar referent, haar gestelde echtgenoot, in Nederland te kunnen verblijven. De referent had eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen en had op 24 juni 2015 een mvv aangevraagd voor eiseres.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de staatssecretaris de aanvraag had afgewezen op basis van het feit dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent niet aannemelijk was gemaakt. De referent had inconsistent verklaard over zijn relatie met eiseres, en het overgelegde document van de huwelijksvoltrekking werd niet als officieel erkend. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres en de staatssecretaris zorgvuldig gewogen en geconcludeerd dat eiseres niet had aangetoond dat er sprake was van een duurzaam en exclusief huwelijk of partnerschapsrelatie.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris terecht had gesteld dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een mvv-nareis, en heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van consistente en overtuigende bewijsvoering bij aanvragen voor verblijfsvergunningen, vooral in het kader van gezinshereniging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/3795
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,
gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,
gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 januari 2017 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft op 1 juni 2017 een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen [naam 2] de gestelde echtgenoot van eiseres (hierna: referent) en als tolk H. El-Amin. De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden om de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en verweerder de gelegenheid te geven hierop te reageren.
Op 19 juni 2017 heeft eiseres nadere stukken ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd in een brief van 26 juni 2017.
Bij brief van 31 juli 2017 heeft de rechtbank partijen laten weten het onderzoek nog niet te sluiten en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) af te wachten. Verweerder heeft op 7 december 2017 nadere stukken ingediend. Eiseres heeft op 22 december 2017 stukken ingediend.
Nadat de Afdeling in zes zaken op 16 mei 2018 uitspraak heeft gedaan in Eritrese nareiszaken, heeft de rechtbank verweerder verzocht het bestreden besluit te heroverwegen.
Verweerder heeft op 27 augustus 2018 laten weten dat het bestreden besluit wordt gehandhaafd. Eiseres heeft op 7 september 2018 daarop gereageerd.
Partijen hebben niet meegedeeld prijs te stellen op een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Eiseres wenst verblijf bij referent. Op 30 mei 2015 is aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 24 juni 2015 heeft hij een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gevraagd in het kader voor nareis van eiseres.
2. Bij besluit van 19 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat referent veelvuldig inconsistent heeft verklaard over zijn gestelde huwelijk of verloving met eiseres. Verder overweegt verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een duurzame, exclusieve relatie tussen eiseres en referent.
3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 1 juni 2017 onderstreept dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een huwelijk of verloving met referent, dan wel dat zij feitelijk tot zijn gezin heeft behoord. Verweerder verwijst hiervoor naar het bestreden besluit. Daarbij komt dat het overgelegde ‘document huwelijksvoltrekking’ van 15 november 2014 geen officieel document is. Verweerder volgt niet dat sprake is van een wettig huwelijk.
4. Op wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de echtgenoot van de vreemdeling aan wie een asielvergunning is verstrekt indien deze op het tijdstip van diens binnenkomst behoorde tot diens gezin en binnen drie maanden is nagereisd.
6. Volgens paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voor zover van belang, moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont, en, voor zover van toepassing, met een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont, of een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont. Als de vreemdeling dat niet kan, moet hij aannemelijk maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen (bewijsnood).
7. Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vc, voor zover van belang, verleent de IND de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw als de echtgenote of partner feitelijk behoort tot het gezin van de referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn echtgenote of partner vóór binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin heeft behoord en dat die gezinsband niet is verbroken. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn echtgenote of partner, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.
Voor ongehuwde partners geldt dat zij de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt en sprake is van een duurzame, exclusieve relatie.
8. Na het bestreden besluit heeft verweerder met ingang van 1 januari 2018 een nieuwe vaste gedragslijn aangenomen voor het beoordelen van Eritrese nareiszaken. Deze houdt kort weergegeven in dat ook wordt gekeken naar andere bewijsmiddelen dan officiële documenten, ongeacht of sprake is van bewijsnood. Daarbij wordt onder meer in aanmerking genomen of de bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of sprake is van contra-indicaties. Verweerder heeft deze gedragslijn ook van toepassing verklaard op lopende (hoger) beroepen tegen besluiten van vóór 23 november 2017. De Afdeling heeft de nieuwe gedragslijn geaccordeerd in een zestal uitspraken van 16 mei 2018 [1] .
9. Verweerder heeft desgevraagd op 27 augustus 2018 laten weten dat het bestreden besluit wordt gehandhaafd. Eiseres heeft in haar brief van 7 september 2018 aangevoerd dat zij met het overgelegde ‘document huwelijksvoltrekking’ van 15 november 2014 substantieel bewijs heeft geleverd van de familierelatie en dat het, gelet op de nieuwe vaste gedragslijn, op de weg van verweerder ligt om haar een identificerend gehoor aan te bieden.
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat de identiteit van eiseres niet in geschil is. Ter beantwoording ligt de vraag of verweerder de gestelde familierelatie tussen eiseres en referent niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. Nu eiseres in beroep volhardt in haar stelling dat sprake is van een huwelijk tussen eiseres en referent, spitst het geschil zich allereerst toe op de vraag of eiseres het gestelde huwelijk heeft aangetoond.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Allereerst heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat referent inconsistent heeft verklaard over zijn relatie met eiseres. Tijdens zijn asielprocedure heeft referent verklaard met eiseres te zijn verloofd, op zijn aanvraag staat aangekruist dat referent én eiseres ongehuwd zijn, en ook in de toelichting van Vluchtelingenwerk Nederland van 16 december 2015 wordt gesproken over een verloving. Tijdens zijn gehoor van 25 januari 2016 heeft referent in eerste instantie verklaard dat hij en eiseres zijn verloofd en later heeft hij gezegd dat óók sprake was van een huwelijk. Niet in geschil is dat referent tijdens dat gehoor de termen huwelijk en verloving door elkaar heeft gebruikt. Eiseres heeft niet kunnen uitleggen waarom wisselend is verklaard. De enkele stelling van eiseres dat bij referent verwarring bestaat over wanneer iemand precies verloofd of getrouwd is, en dat niet is uitgesloten dat referent door zijn vlucht psychisch is beschadigd, heeft eiseres niet onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen.
12. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres met het overgelegde ‘document huwelijksvoltrekking’ niet alsnog haar huwelijk met referent heeft aangetoond of hiervoor substantieel bewijs heeft geleverd. Bureau Documenten heeft het document niet kunnen beoordelen, omdat het geen officieel document betreft [2] . Verweerder heeft het document als bevreemdingwekkend [3] kunnen aanmerken, nu het volgens referent enkel door de Imam is uitgegeven en op het document zelf staat aangegeven dat het afkomstig is van het ‘Bevrijdingsfront van Eritrea, Bureau Sociale Zaken, Afdeling Burgerlijke Stand’. De enkele stelling van eiseres dat het huwelijk is voltrokken door een Imam die in dienst is van het Bevrijdingsfront, heeft verweerder niet ten onrechte als niet afdoende verklaring hiervoor beschouwd. Vreemd is ook dat het document is ondertekend door de burgerlijke stand van Eritrea, terwijl het in Soedan zou zijn gesloten. Verweerder heeft verder terecht verwezen naar het ambtsbericht inzake Soedan [4] waaruit blijkt dat het in Soedan mogelijk is om tegen betaling frauduleuze documenten te verkrijgen. Gelet hierop is dit ‘document huwelijksvoltrekking’ onvoldoende om als substantieel bewijs van het huwelijk te kunnen gelden en heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien hiernaar nader onderzoek te (laten) verrichten.
13. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens terecht getoetst aan de criteria van een partnerschapsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van een op één lijn met een huwelijk gelijk te stellen duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent. Terecht heeft verweerder ook op dit punt gewezen op de inconsistente verklaringen van referent over zijn relatie met eiseres. Verder heeft verweerder niet ten onrechte van belang gevonden de verklaring van referent dat hij ongeveer vijf weken met eiseres heeft samengewoond, zodat niet is gebleken van structurele samenwoning en een gemeenschappelijke huishouding niet is gebleken. Evenmin is gebleken van een (financiële) afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent, nu zij geen werk hadden en eiseres afhankelijk was van haar familieleden.
14. Nu eiseres haar gestelde huwelijk en gezinsband met referent niet aannemelijk heeft gemaakt, voldoet zij niet aan de voorwaarden voor afgifte van een mvv-nareis en is haar aanvraag terecht afgewezen.
15. Gelet op het primaire besluit en de inhoud van het bezwaarschrift, heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar als kennelijk ongegrond kunnen afdoen.
16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:1508
2.Formulier ten behoeve van documentonderzoek, Bureau Documenten, 2 maart 2016
3.Zie verweerschrift van 7 december 2017
4.Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Soedan, 23 juli 2015, p. 30.