Eiseres, een Syrische vrouw, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel gezinshereniging met haar meerderjarige zoon, de referent. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon.
Eiseres betoogt dat zij wel een dergelijke relatie heeft met haar kleinkinderen, die zij al langer dan drie jaar verzorgt, en dat verweerder dit had moeten beoordelen. De rechtbank overweegt dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op verblijf bij de referent en dat verweerder niet ambtshalve hoeft te toetsen of er een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid bestaat met andere gezinsleden dan de referent.
De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat bij gezinshereniging met meerderjarige kinderen een meer dan normale emotionele band vereist is. Omdat deze niet is vastgesteld tussen eiseres en haar zoon, is het beroep ongegrond.
Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toe vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar, waarbij verweerder een dwangsom heeft betaald en de aanvragen van de kleinkinderen later zijn ingewilligd. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €250,50.