ECLI:NL:RBDHA:2018:14791

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4244
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 30 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 69 ZorgverzekeringswetArt. 6.3.1 Regeling ZorgverzekeringArt. 22 Verordening (EG) nr. 987/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijdrage buitenlandverblijf op grond van Zorgverzekeringswet en EU-verordeningen

Eiser, een Amerikaanse staatsburger woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, ontving een AOW-uitkering en pensioen uit de Verenigde Staten. Verweerder stelde op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en EU-verordening 883/2004 de definitieve jaarrekening van de buitenlandbijdrage voor 2016 vast op een bedrag hoger dan het Nederlandse jaarinkomen van eiser. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de bijdrage niet hoger mocht zijn dan het Nederlandse inkomen, verwijzend naar de oude verordening 1408/71 en het rechtszekerheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat de nieuwe EU-verordening 883/2004 een ruimere heffingsgrondslag biedt en dat de bijdrage niet beperkt is tot het Nederlandse pensioeninkomen. De verwijzing van eiser naar de oude verordening en de informatieplicht faalde. Ook het argument dat de verordening niet op hem van toepassing zou zijn als derde lander werd verworpen omdat de verordening sinds 2011 ook op onderdanen van derde landen van toepassing is.

De rechtbank concludeerde dat verweerder bevoegd was de bijdrage hoger dan het Nederlandse inkomen vast te stellen en dat er geen strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de bijdrage mag hoger dan het Nederlands inkomen worden vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 18/4244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaasts buitenland] , eiser

(gemachtigde: A.J. Kwekkeboom),
en

het CAK, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Vanaf 1 januari 2017 oefent het CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het CAK/verweerder mede verstaan het Zorginstituut Nederland.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve jaarrekening (buitenlandbijdrage) op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2016 vastgesteld.
Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, die de Amerikaanse nationaliteit heeft en geboren is op [geboortedag] 1946, woont sinds 2013 in het Verenigd Koninkrijk en ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarnaast ontvangt eiser pensioen uit Amerika
.
1.2
Verweerder heeft eiser als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond waarvan hij ingevolge artikel 24 van Pro de Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: Vo 883/2004) recht op zorg heeft in zijn woonland het Verenigd Koninkrijk ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage).
1.3
De Departement for Work and Pensions (DWP) heeft op 6 januari 2014 op het formulier 121 van 18 december 2013 bevestigd dat eiser recht heeft op medische zorg in het Verenigd Koninkrijk vanaf 2 november 2013 ten laste van Nederland.
1.4
Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve jaarrekening van de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw voor het jaar 2016 vastgesteld op een bedrag van
€ 4.774,97. Dit besluit heeft verweerder na heroverweging gehandhaafd.
2. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij vanaf 1 mei 2010 onder toepassing van de Vo 883/2004 in samenhang met de Verordening (EG) nr. 987/2009 (hierna: Toepassingsverordening 987/2009) de Zvw-bijdrage kan vaststellen op een bedrag dat hoger is dan het Nederlands jaarinkomen. Verweerder doet dit evenwel pas vanaf de jaarrekening 2016. Dat verweerder vanaf 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 de hoogte van de bijdrage niet hoger dan het Nederlandse jaarinkomen heeft vastgesteld betekent niet dat verweerder dit niet mag doen bij de definitieve jaarrekening 2016. Voor dit standpunt verwijst verweerder naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 december 2015 (ECLI:NL:2015:4744). Dat verweerder eiser niet heeft geïnformeerd over de wijze waarop de bijdrage wordt vastgesteld, betekent niet dat verweerder de bijdrage niet hoger mocht vaststellen dan het Nederlands inkomen. Verweerder biedt eiser wel zijn welgemeende excuses aan voor het feit dat hij niet vooraf is geïnformeerd.
3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Eiser voert daartoe, kort samengevat, aan dat uit het verschil tussen artikel 33 van Pro de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (de oude Vo) en artikel 30 van Pro Vo 883/2004 (de nieuwe Vo) niet een wijziging in maximering van de bijdrageplicht is op te maken. Ook komt de maximering van de bijdrage tot het Nederlands inkomen voort uit het feit dat iemand een verdragsgerechtigde is omdat hij een pensioen uit Nederland ontvangt. Als men afstand zou doen van dit inkomen, houdt het verdragsrecht op. Eiser stelt verder dat verweerder niet aangeeft waarom hij de wijziging in maximering van de bijdrageplicht niet bij de invoering van de Vo 883/2004 heeft toegepast. Er is geen wets- of beleidswijziging geweest die deze eerder ingezette en gevolgde gedragslijn verandert. Eiser is van mening dat, nu hij naast zijn AOW-pensioen alleen twee pensioenen ontvangt uit de Verenigde Staten, de verdragsbijdrage alleen over zijn AOW-pensioen zou mogen worden geheven. Volgens eiser volgt dit uit artikel 30 van Pro de Toepassingsverordening 987/2009, nu daarin pensioenen uit andere lidstaten wordt vermeld. Daarbij heeft verweerder niet voldaan aan de informatieverplichting als bedoeld in artikel 22 van Pro de Toepassingsverordening. Ten slotte stelt eiser dat hij als Amerikaans staatsburger een “derdelander” is, waarvoor de nieuwe verordening niet geldt. Dit betekent dat de oude Vo, met maximering tot het Nederlands jaarinkomen, van toepassing blijft, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Met ingang van 1 mei 2010 zijn de Vo 883/2004 en de Toepassingsvo 987/2009 in werking getreden. Vóór 1 mei 2010 gold de Verordening 1408/71 (Verordening 1408/71) en de Toepassingsverordening 574/72.
In artikel 24 van Pro de Vo 883/2004 is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (het pensioenland), die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont (het woonland), heeft niettemin met zijn gezinsleden recht op deze prestaties in het woonland, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van het pensioenland recht op prestaties zou hebben, indien hij in het pensioenland zou wonen.
In artikel 30, eerste lid, van de Vo 883/2004 is bepaald dat het orgaan van een Lid-staat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, slechts kan heffen en innen voor zover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde Lid-staat. In Nederland is de wettelijke regeling neergelegd in artikel 69 van Pro de Zvw en in de Regeling Zorgverzekering (hierna: de Regeling).
In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is, voor zover hier van belang, bepaald dat in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd. De wijze waarop de bijdrage als bedoeld in artikel 69 van Pro de Zvw wordt berekend, is neergelegd in de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.7 van de Regeling.
Artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat voor een persoon bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zvw de verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.
Op grond van artikel 6.3.1., tweede lid, onderdeel b, van de Regeling, voor zover hier van belang, bestaat de inkomensafhankelijke bijdrage onder andere uit een bijdrage welke wordt berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de AWBZ.
4.2
Het primaire betoog van eiser, dat de maximale bijdrage (maximering) nooit is gewijzigd en door verweerder in zijn geval ten onrechte niet is toegepast, kan niet slagen.
De Regeling voor de berekening van de hoogte van de bijdrage is niet veranderd bij de invoering van de Vo 883/2004. Ook onder de Vo 1408/71 werd de verdragsbijdrage berekend over het wereldinkomen. De CRvB heeft gelet op het Nikula-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juli 2006 en het Sehrer-arrest van het Hof van 15 juni 2002 overwogen dat het de Nederlandse staat vrij staat in zijn regelgeving neer te leggen welke inkomsten voor de Zvw-bijdrage in aanmerking worden genomen. Uit het Nikula-arrest volgt wél dat ingevolge artikel 33 van Pro de Vo 1408/71 het bedrag van de bijdrage niet hoger mag zijn dan dat van de door de bevoegde organen van de lidstaat uitgekeerde pensioenen. Het Hof leidde dat af uit het feit dat de bijdrage op grond van artikel 33 van Pro de Vo 1408/71 uitsluitend kan worden ingehouden op de door de bevoegde lidstaat uitgekeerde pensioenen of renten. Verweerder mocht om die reden geen bijdrage heffen die hoger was dan het Nederlands inkomen van een verdragsgerechtigde.
Artikel 33, eerste lid, van de Vo 1408/71 is vervangen door artikel 30 van Pro de Vo 883/2004, die toepassing vindt per 1 mei 2010. Artikel 30 van Pro de Vo 883/2004 is op een andere wijze geformuleerd dan artikel 33 van Pro de Vo 1408/71. De wijze van heffing van artikel 30 van Pro de Vo 883/2004 wordt zo uitgelegd dat de heffing niet is beperkt tot de inhouding op het pensioen. De woorden “heffen en innen” duiden namelijk op een ruimere heffingsgrondslag. Los daarvan bevat artikel 5 van Pro de Vo 883/2004 een horizontale bepaling op grond waarvan buitenlandse wettelijke pensioenen voor de heffing en inning van bijdragen gelijkgeschakeld worden aan Nederlandse wettelijke pensioenen. Gelet op het voorgaande dient ervan te worden uitgegaan dat de heffingsbeperking uit het Nikula-arrest geen gevolgen heeft onder de Vo 883/2004. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op grond van artikel 30 van Pro de Vo 883/2004 verweerder dus de verdragsbijdrage niet meer hoeft te beperken tot de hoogte van het Nederlands jaarinkomen van de verdragsgerechtigde. De beroepsgrond van eiser, dat onder de huidige regelgeving een maximering van de bijdrageplicht geldt, slaagt dan ook niet.
4.3
Eisers verwijzing naar de toelichting van artikel 30 van Pro de Toepassingsverordening 987/2009, waarin wordt gesproken over pensioenen uit andere lidstaten en dat derhalve het wereldinkomen niet de goede basis voor de berekening van de bijdrage zou zijn, maakt het voorgaande niet anders. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit artikel 30 niet Pro ziet niet op hoe de bevoegde lidstaat de bijdrage mag berekenen of welk inkomen de bevoegde lidstaat als grondslag mag leggen aan deze berekening. De berekeningssystematiek is geregeld in regelgeving van de bevoegde Lidstaat zelf. In dit geval de Regeling zoals eerdergenoemd en hierboven besproken. De stelling van eiser dat verweerder de informatieplicht als bedoeld in artikel 22 van Pro de Toepassingsverordening 987/2009 heeft geschonden kan ook niet slagen, reeds omdat dit artikel niet ziet op het verstrekken van informatie over het heffen en innen van de verdragsbijdrage maar inzake toekenningen van de verstrekkingen.
4.4
Voorts overweegt de rechtbank dat eiser op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw wettelijk verplicht is zich te melden bij verweerder. De beroepsgrond van eiser dat de Vo 883/2004 niet op hem van toepassing is omdat hij Amerikaans staatsburger is, kan niet slagen. Uit de Vo (EU) nr. 1231/2010 volgt dat per 1 januari 2011 onderdanen van ‘derde landen’ ook vallen onder de reikwijdte van de Vo 883/2004.
4.5
Eiser woont in het Verenigd Koninkrijk en ontvangt AOW-pensioen. Vast staat dan dat eiser verdragsgerechtigde is en op grond van Vo 883/2004 recht heeft op zorg in het Verenigd Koninkrijk ten laste van Nederland en dat eiser voor de kosten van deze zorg op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering een verdragsbijdrage verschuldigd is.
4.6
Vervolgens is het de vraag of het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel kan slagen. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat er geen wets- of beleidswijziging is geweest die de eerder ingezette en gevolgde gedragslijn in maximering van de bijdrageplicht kan veranderen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8285) kan een bestuursorgaan niet de bevoegdheid worden ontzegd, bijvoorbeeld op grond van een wetswijziging of gewijzigd beleid, voor de toekomst terug te komen van een eerder ingezette en gevolgde gedragslijn. De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval van een dergelijke situatie sprake is. De rechtbank overweegt daartoe dat de hoogte van de buitenlandse bijdrageplicht betrekking heeft op 2016 en eerst bij het primaire besluit is vastgesteld conform de reeds per 1 mei 2010 van toepassing zijnde Vo 883/2004. In zoverre is geen sprake van een vaststelling van een buitenlandse bijdrageplicht met terugwerkende kracht. Voorts is van bijkomende omstandigheden dat eiser in redelijkheid in het geheel geen rekening had kunnen en hoeven houden met een hogere bijdrageplicht dan voorgaande jaren niet kunnen blijken, zodat ook om die redenen geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel kan worden aangenomen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat in de voorlopige jaarrekening van 2016 – anders dan in de (voorlopige) jaarrekeningen over voorgaande jaren – geen melding is gemaakt van een maximering van de bijdrageplicht. De enkele omstandigheid dat, zoals verweerder heeft toegegeven, een bepaalde groep verdragsgerechtigden niet goed is geïnformeerd over de wijziging van de gedragslijn bij toepassing van een maximering van de verdragsbijdrage, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank overweegt hierbij dat de gewijzigde gedragslijn in overeenstemming is met de daaraan ten grondslag liggende Vo 883/204 en gelet op de openbare bronnen als voldoende kenbaar moet worden geacht.
5. Gezien het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de bijdrage hoger mocht vast stellen dan het Nederlands inkomen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.