Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2018 in de zaak tussen
[eiser] te [woonplaasts buitenland] , eiser
het CAK, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Amerikaanse staatsburger woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, ontving een AOW-uitkering en pensioen uit de Verenigde Staten. Verweerder stelde op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en EU-verordening 883/2004 de definitieve jaarrekening van de buitenlandbijdrage voor 2016 vast op een bedrag hoger dan het Nederlandse jaarinkomen van eiser. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de bijdrage niet hoger mocht zijn dan het Nederlandse inkomen, verwijzend naar de oude verordening 1408/71 en het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe EU-verordening 883/2004 een ruimere heffingsgrondslag biedt en dat de bijdrage niet beperkt is tot het Nederlandse pensioeninkomen. De verwijzing van eiser naar de oude verordening en de informatieplicht faalde. Ook het argument dat de verordening niet op hem van toepassing zou zijn als derde lander werd verworpen omdat de verordening sinds 2011 ook op onderdanen van derde landen van toepassing is.
De rechtbank concludeerde dat verweerder bevoegd was de bijdrage hoger dan het Nederlandse inkomen vast te stellen en dat er geen strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de bijdrage mag hoger dan het Nederlands inkomen worden vastgesteld.