Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres
Procesverloop
Overwegingen
€ 10.502 -/-
Rechtbank Den Haag
Moeder en dochter bewoonden samen een woning die eigendom was van de moeder. De moeder verkocht de woning aan de dochter, waarna zij samen bleven wonen. Binnen zes maanden overleed de moeder. De Belastingdienst verhoogde de nalatenschap met een fictieve verkrijging van de woning omdat de moeder na overdracht bleef wonen, stellende dat sprake was van een recht van gebruik en bewoning.
De rechtbank oordeelde dat noch uit de leveringsakte noch uit de aangifte blijkt dat de woning is verkocht onder voorbehoud van gebruik en bewoning, zodat juridisch geen vruchtgebruik is gevestigd. Het feit dat de moeder na overdracht in de woning bleef wonen, is onvoldoende om een economisch vruchtgebruik aan te nemen, aangezien ook de dochter de woning geheel kon gebruiken.
De rechtbank concludeerde dat het recht van gebruik en bewoning slechts een persoonlijk gebruiksrecht betreft dat door de dochter aan de moeder is toegekend. De fictieve verkrijging is daarom onterecht toegepast. Wel is vastgesteld dat de moeder een schenking van €150.000 heeft gedaan. De belastingaanslag is dienovereenkomstig verminderd en de proceskosten zijn aan de zijde van de Belastingdienst opgelegd.
Uitkomst: De erfbelastingaanslag is verminderd omdat geen sprake is van fictieve verkrijging van de woning met recht van bewoning.