ECLI:NL:RBDHA:2018:15186
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning uitoefenen familieleven met minderjarige dochter
Eiseres verzocht om een verblijfsvergunning om familieleven te kunnen uitoefenen met haar minderjarige dochter die in Nederland verblijft. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en verweerder zag geen reden voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiseres voerde aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met artikel 3 IVRK Pro en artikel 8 EVRM Pro, mede omdat haar dochter in Nederland is geboren, geworteld is in de samenleving en een band met haar vader moet kunnen ontwikkelen. Tevens stelde zij dat zij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen objectieve belemmeringen zijn voor het gezinsleven in Kenia en dat de band tussen dochter en vader in Nederland niet zodanig is dat het gezinsleven niet op afstand kan worden uitgeoefend. De rechtbank volgde eiseres niet in haar betoog over het IVRK en vond dat verweerder zich voldoende rekenschap had gegeven van het belang van het kind. Ook was het achterwege laten van het horen in bezwaar gerechtvaardigd omdat redelijkerwijs geen ander besluit te verwachten was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Ghrib op 19 november 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vrijstelling van het mvv-vereiste is ongegrond verklaard.