ECLI:NL:RBDHA:2018:15278
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in civiele procedure wegens gebrek aan vooringenomenheid
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen een rechter in een civiele procedure waarin zij gedaagde was. Het verzoek richtte zich op beslissingen van de rechter en de voorzitter van de meervoudige kamer om een akteverzoek en een pleitverzoek af te wijzen, welke volgens verzoekster onbegrijpelijk waren en de schijn van vooringenomenheid wekten.
De wrakingskamer stelde vast dat het wrakingsverzoek tijdig en ontvankelijk was ingediend. De kamer benadrukte dat de wrakingsprocedure niet bedoeld is om de juistheid van rechterlijke beslissingen te toetsen, maar uitsluitend om mogelijke vooringenomenheid te beoordelen. De motivering van de beslissingen werd beoordeeld, maar er werd geen aanwijzing gevonden dat deze onbegrijpelijk waren in die zin dat zij een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid zouden vormen.
De kamer concludeerde dat het pleidooi reeds had plaatsgevonden en dat de akte slechts binnen de in het tussenvonnis gestelde grenzen kon worden genomen. Daarom was het afwijzen van de verzoeken niet onbegrijpelijk. Het wrakingsverzoek werd afgewezen en de procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin zij zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.